Een flora als grafschrift (Gerectificeerd)

Er verschijnen prachtige boeken met nieuwe beschrijvingen van de planten in de West-Afrikaanse oerwouden. Maar de wouden zelf verdwijnen. Bosecoloog Frans Bongers: `Het bos wordt er op grote schaal leeggeroofd'.

`HIER ZITTEN MENSEN echt al jaren op te wachten' zegt Frans Bongers, hoogleraar tropische bosecologie aan de Wageningen Universiteit. Hij slaat met zijn hand op een dik boek dat hij op tafel in zijn werkkamer heeft uitgestald. Het boek geeft een compleet overzicht van alle 2800 vaatplantsoorten in het regenwoud van West-Afrika. ``Dit is nog slechts een dummy', zegt Bongers, terwijl hij over de kaft wrijft. ``Komend voorjaar zal de flora verschijnen.'

Met meer dan duizend kleurenfoto's, gedetailleerde tekeningen en determinatiesleutels zal het een essentieel gereedschap zijn voor elke botanicus in het gebied. Het boek is een van de belangrijkste resultaten van het langlopend onderzoeksproject ECOSYN om alle kennis over de plantenrijkdom van het West-Afrikaanse regenwoud bijeen te brengen. ECOSYN werd gefinancierd door de Europese Unie en was een samenwerking tussen de Wageningen Universiteit, de Cocody universiteit (Ivoorkust) en de Universiteit van Ghana. Vorige maand organiseerde Bongers samen met de Ivorianen in de Ivorese hoofdstad Abidjan een afsluitend congres. Voorafgaand aan de flora verscheen eerder dit jaar al een uitgebreide ecologische atlas van de planten in West-Afrika. Ook staan boeken over klimplanten en over bosbeheer op stapel. ``Het geld is nu op', zegt Bongers opgewekt. ``Van de laatste centen heb ik enkele honderden van onze boeken van de uitgever gekocht om ze in Afrika onder de lokale deskundigen te verdelen.'Het tropisch regenwoud van West-Afrika strekt zich uit over de landen Senegal, Guinea, Sierra Leone, Liberia, Ivoorkust, Ghana en Togo en omvat 109.000 km² bos. In een publicatie van internationale wetenschappers in Nature van 24 februari 2000 werd het aangemerkt als een van de 25 belangrijke hotspots van biodiversiteit op aarde. Dat betekent dat het gebied uitzonderlijk rijk is aan endemische soorten, planten en dieren die nergens anders voorkomen.

Dat blijkt ook uit de ECOSYN-gegevens. Van de 2.800 plantensoorten in het gebied komen er 650 alleen daar voor (`endemisch') en nog eens 400 soorten zijn wereldwijd zeldzaam. Voor het eerst is er nu een overzicht van waar die bijzondere planten precies groeien, een belangrijk uitgangspunt voor de bescherming ervan. De informatie over de (historische) verspreiding van deze planten haalden Bongers en zijn collega's deels uit de wetenschappelijke literatuur en deels uit herbaria in Wageningen, Brussel, Genève, Kew Gardens, Oxford en West-Afrika zelf. Uit stoffige kelders haalden zij plantencollecties tevoorschijn waar niemand in jaren meer naar had omgekeken.

gevaarlijk

Daarnaast trokken de ecologen en botanici het veld in om te bepalen waar de endemische soorten precies voorkomen, hoe zeldzaam ze zijn, en waarom ze zeldzaam zijn. In het door gewapende opstanden geteisterde West-Afrika is veldonderzoek echter vaak te gevaarlijk, legt Bongers uit. ``Liberia kunnen we niet in, en net in dat land is waarschijnlijk nog het meeste oorspronkelijke bos. Sierra Leone was tot voor kort ook ontoegankelijk vanwege de oorlog. We waren genoodzaakt om ons voor de planten in deze regio te baseren op oude bosinventarisaties uit de jaren '60 en '70.'

Binnen het West-Afrikaanse regenwoud blijkt de biodiversiteit niet gelijkelijk verdeeld. Bongers en zijn medewerkers identificeerden met behulp van hun overzichtsgegevens drie gebieden waarin uitzonderlijk veel zeldzame planten voorkomen. Het eerste gebied ligt rond Mount Nimba, het drielandenpunt tussen Guinea, Ivoorkust en Liberia. Het tweede ligt in het zuidwesten van Ivoorkust en valt deels binnen de grenzen van het Taï National Park, beroemd vanwege de gedragsstudies aan chimpansees die er plaatsvonden. Het derde gebied ligt in zuidwest Ghana aan de grens met Ivoorkust. Hoogstwaarschijnlijk is centraal Liberia ook een gebied met een zeer gevarieerde soortensamenstelling, maar door een gebrek aan nauwkeurige veldgegevens is dat niet met zekerheid aan te tonen.

Bongers: ``Op welke manier we statistisch ook rekenen aan de verdeling van de biodiversiteit, telkens komt hetzelfde patroon met die drie of vier gebieden eruit. We hebben ons bij die berekeningen gebaseerd op de ruim 600 endemische soorten. We krijgen van collega's wel eens kritiek dat we ook alle gewone soorten mee hadden moeten nemen. Maar daar ben ik het niet mee eens. Bij het beoordelen van de biodiversiteit-hotspots moet je vooral naar de zeldzame soorten kijken.'

diversiteit

Onder de endemische planten bevinden zich heel veel niet-houtige soorten. En die zijn vaak van water afhankelijk. Daardoor geldt over het algemeen: hoe natter de gebieden, hoe rijker ze zijn. De regenval varieert van 4000 mm per jaar aan de kust van Liberia tot 1100 mm per jaar op de overgang van bos naar savanne. Naarmate het natter wordt, neemt de hoeveelheid soorten per oppervlakte enorm toe. Pas als het heel nat wordt neemt de diversiteit weer iets af.

Onder de beschreven soorten zijn meer dan 750 klimplanten, vooral lianen (de houtigen). Daarvan zal een aparte gids verschijnen, waar Bongers bijzonder trots op is. ``Klimplanten vormen een belangrijke plantengroep die veel botanici en ecologen in het verleden links hebben laten liggen. Schattingen van diversiteit in het tropisch regenwoud zijn daardoor bijna altijd alleen gebaseerd op bomen. Dat is een misrekening, want waar we ook kijken, altijd behoort een kwart van de soorten in het bos tot de klimplanten.'

Als voorbeeld haalt Bongers de Amerikaanse ecoloog Stephen Hubbell aan, die de stelling heeft geopperd dat open plekken in het bos (als het gevolg van omvallende woudreuzen) de plantendiversiteit helemaal niet positief beïnvloeden, zoals altijd gedacht werd (Science, 22 januari 1999). ``Dat klopt wellicht als je alleen naar de bomen kijkt', zegt Bongers. ``Maar als ook de lianen worden meegeteld, blijken deze gaten wel degelijk een grote rol te spelen bij het in stand houden van de diversiteit. Hubbell weet ook wel dat die open plekken ook voor de boomdiversiteit wel een belangrijke rol spelen, maar door zo extreem stelling te nemen heeft hij het formuleren van tegenargumenten getriggerd. Dat kan ik wel waarderen.'

Net nu de biodiversiteit van het West-Afrikaanse regenwoud goed gedocumenteerd is, verdwijnt het bos in rap tempo. De boeken van Bongers en zijn collega's dreigen grafschriften te worden. ``Ons werk is deels gebaseerd op oude gegevens. En inderdaad, sommige bossen waarin de beschreven zeldzame planten voorkwamen, zijn inmiddels verdwenen.'

De Wageningse ecoloog maakt zich grote zorgen. Uit satellietopnames blijkt dat de regio op de tweede plaats staat als het gaat om het tempo van de ontbossing: 2,9 procent per jaar (Science, 9 aug. 2002). Alleen op Madagascar gaat het nog sneller. Door de intensieve houtkap ziet de oorspronkelijk aaneengesloten groene deken van het tropische bos er nu uit als een tot op de draad versleten lap. Wat rest is een dunbezaaid spikkelpatroon. Slechts hier en daar zijn nog wat grotere stukken groen over, meestal binnen de grenzen van Nationale Parken.

Volgens Bongers is de situatie rampzalig: ``Als je door het landschap rijdt, dan ziet het er nog aardig uit. Dan denk je; er staan toch nog heel wat bomen. Maar dat is bedrieglijk. De ontbossing gaat razendsnel. Jaarlijks bijna drie procent, dat is in tien jaar meer dan een kwart van het bos dat verdwijnt. Dat is de realiteit. Ook de getallen die de landbouworganisatie van de Verenigde Naties FAO over de houtkap publiceert, kloppen niet. Die zijn gebaseerd op opgaven van de Afrikaanse landen zelf. Maar dat is vaak een flinke onderschatting.'

De illegale houtkap is vaak de aanleiding voor de ontbossing. Er komen wegen voor het houttransport en vervolgens gaan de boeren het bos in en verandert het gebied langzaam in een landbouwgebied. Ook bossen met een beschermde status en zelfs Nationale Parken zijn dikwijls overgeleverd aan anarchie. Bongers noemt als voorbeeld de grote problemen rond Mont Peko in Ivoorkust. ``Het bos wordt er op grote schaal leeggeroofd. Als stille getuigen zien we her en der zware vrachtwagens die in de modder zijn blijven steken omdat ze te lang bleven doorrijden in het regenseizoen. Zo vergaat het veel beschermde bossen in heel West-Afrika. Overheden willen dat vaak niet erkennen.'

Niet alleen de houtwinning vormt een bedreiging, ook de landbouw rukt op. Bongers: ``Middenin het Nationaal Park Taï staat wel zesduizend hectare aan cacaoplantages op plekken waar eerst bos was. Dat komt mede door de vermaledijde wetgeving in Ivoorkust. Wie het bos ingaat en ergens een cacaoplantage aanlegt en die twee jaar weet te behouden zonder betrapt te worden heeft het recht zijn bouwland te behouden, ook al ligt het dan in een natuurreservaat.

``Een ander ernstig probleem is het stropen van wild in het natuurpark. Volgens een studie naar de situatie in Taï waren er in een jaar 2500 professionele stropers actief: van die lui die met mitrailleurs het bos in trekken. Rond het park zijn nog eens 73.000 kleine stropers actief: leden van de lokale bevolking die op zoek zijn naar voedsel. En er waren 18 guards om het hele gebied te bewaken. Je begrijpt wel dat het stropen zo op geen enkele manier te verhinderen is. Daarbij komen regelmatig rebellen uit Liberia voor strooptochten naar het park, maar momenteel komen ze ook uit Ivoorkust zelf'

Dit soort verhalen stemmen Bongers erg somber. ``Oorlogen halen alles onderuit. Als er oorlog uitbreekt in een gebied, wordt alles vogelvrij. Dan moeten alle mooie doelstellingen voor de lange termijn plots wijken voor de korte termijn. Bomen die 300 of 400 jaar moeten groeien voordat ze volwassen zijn gaan dan tegen de vlakte. In Ivoorkust zijn rebellen aan het vechten en dat is allesbepalend. Mensen moeten toch eten.'

Het vierde boek, dat in de loop van 2005 zal verschijnen, moet een meer populair geschreven boek zijn, met aanbevelingen voor het beheer van het tropisch regenwoud. Het bevat veel verhalen van mensen ter plaatse, over de resultaten van hun inspanningen. Het zal niet zozeer de nadruk leggen op de wetenschap, maar zal meer gericht zijn op regionale en lokale beheerders. Een aanbeveling die Bongers en zijn collega's doen is om corridors aan te leggen tussen verschillende nog behouden gebleven natuurgebieden. Dan kunnen planten en dieren zich verplaatsen naar andere regio's en vermindert het risico op uitsterven. De wereldwijde klimaatverandering leidt juist in West-Afrika tot de grootste veranderingen. Het zal droger worden en dan moeten soorten kunnen schuiven. Daarom is het bijvoorbeeld belangrijk dat er in Ivoorkust noord-zuid corridors worden aangelegd. Bijvoorbeeld voor olifanten zijn deze corridors van groot belang. Bongers: ``De olifanten zijn bijna helemaal verdwenen uit het olifantenland Ivoorkust. Plukjes bos verbinden is de enige manier om tegenwicht te bieden. Momenteel onderzoekt men de mogelijkheden voor corridors voor olifanten op de grens van Ivoorkust en Ghana.'

En duurzaam oogsten uit het bos, zoals dat bijvoorbeeld in het Amazonegebied kan met de paranoot? Volgens Bongers gebruiken de lokale Afrikanen heel veel plantensoorten uit het bos, als voedsel, als brand- of timmerhout, maar ook als medicijn. ``Uit een studie in twee bossen in Ivoorkust bleek dat de inheemse bevolking ruim 300 soorten gebruikte, het grootste deel als medicijn voor een groot aantal ziektes. Opvallend genoeg waren daaronder 114 soorten lianen. Het komt erop neer dat eenderde van de soorten uit het bos een toepassing heeft voor de mens. Pillen heb je daardoor vaak niet nodig. Naarmate er meer ruzie is in een land wordt de afhankelijkheid van de lokale bevolking van het bos ook groter omdat de aanvoerlijnen meestal gestoord raken. Maar dat is ook het moment dat de afbraak van het bos toeneemt. Mensen ter plaatse komen dus exponentieel in de problemen,' aldus Bongers.

Een eenvoudige oplossing voor de kaalkap van het regenwoud ligt niet binnen handbereik, denkt Bongers. Het enige wat we kunnen doen is bijdragen aan de opleiding van mensen op het gebied van verantwoord beheer, en hopen dat dit zal leiden tot een mentaliteitsverandering. Maar tegen oorlog en de gevolgen daarvan voor het bos is echter geen kruid gewassen. Bongers: ``Het is de tragiek van natuurbescherming, je moet het jarenlang volhouden maar het blijft altijd kwetsbaar. Het hoeft in die hele periode maar op één moment fout te gaan en het is verloren. Ik ben pessimistisch geworden de laatste jaren. En dat spijt mij zeer.'

Rectificatie

De hoofdstad van Ivoorkust is niet Abidjan, zoals vermeld in het artikel `Een flora als grafschrift' (W&O, 23 okt), maar Yamoussoukro. Yamoussoukro heeft sinds 1983 de status van hoofdstad overgenomen van Abidjan, maar de laatste is nog altijd het economisch en culturele centrum van het land. Overheidsinstellingen, ministeries en ambassades zijn nog steeds in de oude hoofdstad gevestigd.