De bijbel aan flarden

Woensdag verschijnt de lang verwachte Nieuwe Bijbelvertaling in het Nederlands. Maar welke bijbel is nu eigenlijk vertaald? De grote discussie over het Oude Testament gaat over de bronnen van de Hebreeuwse tekst. Waar komen die verhalen vandaan?

Van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament bestaan meer dan 5000 manuscripten. Voor iedere tekstregel bestaat wel een of andere variant.

ZODRA ABRAHAM in opdracht van God zijn eigen zoon Isaak moet offeren, wordt de Engelstalige bijbelvertaling van de Amerikaanse oudtestamenticus Richard Elliott Friedman écht spannend. In Gen. 22:11 weerhoudt God onverwacht de hand van de aartsvader van de moord, op het laatste moment: ``En een engel van de HEER riep hem vanuit de hemel toe: `Abraham, Abraham!' En hij antwoordde: `Hier ben ik.'.'' Een in het struikgewas verstrikte ram neemt vervolgens de plaats van Isaak in. Bij deze passage verandert bij Friedman de tekst ineens van kleur. Dat betekent: in het lopende verhaal (hier `E' genaamd) is ergens in het ontstaan van de bijbeltekst een ándere versie van het verhaal ingevoegd.

``Het is mogelijk dat in het origineel van het E-verhaal Abraham werkelijk zijn zoon Isaak heeft geofferd'', concludeert Friedman droogjes in een voetnoot bij deze passage in zijn The Bible with sources revealed (HarperSan Francisco, 2003). Want als na de tussenvoeging `E' wordt hernomen, in vers 16, volgt een lofprijzing van Abraham door God die evengoed kan slaan op een daadwerkelijke offer van Isaak: ``omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet hebt onthouden''. Abraham gaat in deze E-versie vervolgens ook alléén terug naar zijn dienaren die op afstand waren gebleven over Isaak geen woord meer, ook niet in latere E-fragmenten. In welk verband in het originele E-verhaal dan Jacob, toch stamvader van het volk Israël en in het overgeleverde verhaal in Genesis zoon van Isaak, werd opgevoerd is niet meer te achterhalen. Maar Friedman noemt het opvallend dat in de eerstvolgende passage van Genesis na de mogelijke moord die aan `E' kan worden toegewezen (Gen 25:1-4) Abraham een andere vrouw neemt, Ketura, en meer kinderen krijgt.

De interpretatie dat in de bijbelse bron `E' mensenoffers mogelijk waren en zelfs werden toegejuicht, zal niet door alle oudtestamentici worden gedeeld. Maar het uiteenvallen van het Oude Testament, in het bijzonder van de eerste vijf boeken (de Pentateuch: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium), in teksten van verschillende origine uit de periode 900-400 v.Chr., is voor theologiestudenten eerstejaarsstof: de Documenten-Hypothese.

Wat traditioneel werd beschouwd als één lopende bijbeltekst, van het scheppingsverhaal via Abraham en Jacob naar de uittocht uit Egypte en de dood van Mozes in de woestijn, blijkt bij nader inzien te zijn samengesteld uit verschillende `documenten' uit verschillende historische tijdperken. Soms zijn deze brondocumenten door knippen en plakken tot één geheel gesmeed (zoals bij het offer van Isaak), soms zijn simpelweg twee versies achter elkaar gezet (zoals in het scheppingsverhaal, dat in Gen. 2:4 gewoon weer opnieuw begint, maar dan anders). Vooral in Genesis en Exodus is het bijna op iedere pagina raak. Dat de bijbel het resultaat is van een langdurig knip-en-plak-proces is voor de kenners geen onbekend verhaal, maar volgens Friedman tegenwoordig op de achtergrond geraakt, ja zelfs een vergeten verhaal. Zijn kleurenbijbel moet de wetenschappelijke gemeenschap weer wakker schudden.

negentiende eeuw

``Vergeten? Nee hoor.'' Aan het woord is Arie van der Kooij, hoogleraar Oude Testament aan de Universiteit Leiden. Hij is nauw betrokken bij de nieuwe editie van de Hebreeuwse grondtekst (zie kader), de Biblia Hebraica Quinta, waarvan binnenkort het eerste deel verschijnt. ``Dat inzicht was een van de grote ontdekkingen van de negentiende eeuw.'' En Van der Kooij wijst trots naar de muur van zijn werkkamer waar het portret hangt van een vroege voorganger van hem in Leiden: Abraham Kuenen (1828-1891). ``Kuenen heeft een belangrijke rol gespeeld in de formulering van deze Documenten-theorie. In de bijbelwetenschap is die theorie zoiets als de evolutietheorie, met dezelfde impact. Want stel je voor: grote delen van de boeken van Mozes bleken tijdens de Babylonische Ballingschap te zijn geschreven [597-536 v.Chr]. En precies het scheppingsverhaal uit Genesis is een van de laatst geschreven teksten!''

De eerste stappen naar deze ontrafeling van de bijbeltekst werden al in de zestiende en zeventiende eeuw gezet. De klassieke vorm van het inzicht stamt echter uit de negentiende eeuw, door het werk van Julius Wellhausen (1844-1918). Vooral op grond van woordgebruik onderscheidde Wellhausen de vier bronnen van de Pentateuch met ieder een eigen stijl: `J' (waarin God JHWH wordt genoemd, de beroemde joodse godsnaam, meestal vertaald als HEER afkomstig uit het zuidelijke koninkrijk Judea), `E' (afkomstig uit het noordelijke koninkrijk Israël en waarin tot aan de onthulling van de godsnaam in Exodus 3:14 God áltijd Elohim heet, meestal vertaald als `God'), `P' (de priesterlijke tekst die vrijwel geheel Leviticus beslaat en ook elders vaak opduikt) en `D', die vooral opduikt in Deuteronomium.

Volgens Wellhausen was J het oudst (ca. 850 v.Chr.), dan E (750 v.Chr.) en D (ca. 600 v. Chr). P zou het jongst zijn: uit begin van de Tweede Tempeltijd, als de joodse leider Ezra orde op zaken stelt na de terugkeer uit de Babylonische Ballingschap (ca. 450 v. Chr.). Van der Kooij: ``Dat P het jongst zou zijn, is vooral een inzicht van Kuenen.''

En eenmaal ontdekt wordt de evidentie van een samengestelde tekst steeds groter. In de eerste vijf bijbelboeken worden in totaal 31 verhalen twee keer of zelfs drie keer verteld, in soms sterk verschillende versies (met het scheppingsverhaal en de tien geboden als bekendste). In J en E worden regelmatig grapjes gemaakt, in P nooit. In P wordt voortdurend de strenge rechtvaardigheid van God benadrukt, in J, E en D juist de vergevingsgezindheid. In P mag alleen geofferd worden bij de Tabernakel (de Ark), alle andere offerplaatsen zijn illegaal en afgoderij, bij J en E is dat geen probleem. In P komen geen engelen of profeten voor, daar vormen de priesters de enige weg tot communicatie met God enzovoorts. En volgens Friedman is een van de `meest overtuigende argumenten' wel dat een van de belangrijkste bronnen `P' apart genomen een ononderbroken verhaal vormt.

een eigen kleur

Het bijzondere van Friedmans nieuwe bijbeluitgave is nu dat hij in zijn vertaling de eerste vijf bijbelboeken (de Pentateuch, c.q. de Torah) heeft afgedrukt met al deze bronnen in een eigen kleur en lettertype. Voor iedere individuele bijbeltekst heeft Friedman dus een keuze moeten maken hetgeen maar weinig oudtestamentici zouden aandurven. Het is dan ook voor het eerst sinds 1903 dat zo'n poging gewaagd is. Dat de ondertitel van Friedmans boek luidt `a new view into the five books of Moses', moet waarschijnlijk aan verkoopretoriek van de uitgever worden toegeschreven, al heeft Friedman wel andere ideeën over de datering dan gebruikelijk. Volgens hem is bijvoorbeeld P een directe reactie op J en E, uit de kring rond koning Hizkia van Judea, ca. 700 v.Chr., wanneer het noordelijke koninkrijk Israël is vernietigd door de Assyriërs. In een eerder boek (`Who wrote the bible?', 1997) beschrijft Friedman het als `de Grote Ironie' van de bijbel dat juist al deze tegenstrijdige en elkaar dus soms zelfs direct vijandige documenten uiteindelijk in één boek terecht zijn gekomen met allicht enorme mogelijkheden voor interpretaties en exegese.

Vooral de vermenging van de persoonlijke, `humane' en vergevingsgezinde God in J, E en ook D met de kosmische en strenge God in P leidde in de uiteindelijke redactie tot iets geheel nieuws, zo schrijft Friedman: een kosmische maar óók persoonlijke God. Voortaan konden joden en later ook de christenen worstelen met de gecompliceerde boodschap: `De heerser van het universum is betrokken bij jou', vat Friedman samen. Dat was nooit zo bedoeld, zelfs niet door de uiteindelijke redacteur die deze Grote Ironie tot stand bracht waarschijnlijk Ezra, ca. 450 v.Chr. De `Redactor' wilde één geheel maken van alle beschikbare heilige teksten. Omdat de teksten toen al heilig waren was het ondenkbaar dat de eindredacteur de tegenstellingen volkomen zou wegmasseren zoals een moderne censor of eindredacteur zou doen.

Friedman wil nu met zijn kleurenbijbel vooral discussie uitlokken over de Documententheorie in het algemeen, zo schrijft hij in de inleiding. Want de theorie mag dan overal onderwezen worden en in alle handboeken worden behandeld, in het openbare debat wordt hij volgens Friedman genegeerd zonder opgaaf van redenen zelfs. Tegenwoordig voeren de tegenstanders van de these het hoogste woord, klaagt hij luidkeels in de inleiding. Tot de tegenstanders van de ontrafeling van Gods woord in losse fragmenten behoren natuurlijk de traditionalisten die er vast van overtuigd blijven dat de eerste boeken door Mozes zelf zijn geschreven (ook al komt het dan vreemd over dat Mozes zichzelf glashard typeert als `de bescheidenste van alle mensen op aarde', in Num. 12:3). Maar binnen de serieuze bijbelwetenschap bestaat de oppositie vooral uit geleerden die de teksten sowieso beschouwen als late verzinsels, waarbij het uitpluizen in verschillende bronnen niet zo belangrijk is, aldus Friedman.

``Nou, nou, dat overdrijft Friedman wel een beetje hoor'', zegt Van der Kooij in Leiden. ``Er is inderdaad een krachtige trend sinds de jaren zeventig om vooral te kijken naar de tekst als geheel. Dus naar de Redactortekst zoals die nu voor ons ligt en die ook echt niet het rommelige geheel is dat de Documententheorie soms lijkt te veronderstellen. Maar goed, ook de bronnenkwestie zelf wordt nog altijd serieus bediscussieerd. Dat Friedman die discussies niet noemt, is echt een beetje flauw. In feite zijn er nu drie vormen van de Documententheorie. Er is de oude `oorkondentheorie', die ook Friedman dus nog aanhangt: dat er onafhankelijke complete teksten zijn geweest die later zijn samengevoegd en verknipt. Er is de aanvullingstheorie, dat het niet om verschillende zelfstandige teksten gaat maar om één tekst, die telkens is aangevuld. Tot die school behoor ik zelf: ik zie bijvoorbeeld niet dat P een vloeiend verhaal vormt, dat geldt slechts voor kleinere stukjes ervan. Volgens mij is pas na de verwoesting van het noordelijke koninkrijk Israël in 722 v. Chr. de eerste tekst geschreven: `J'. Vervolgens is die tekst telkens aangevuld. Friedmans argumenten voor de `oorkondentheorie' overtuigen mij niet.''

De derde stroming is dan nog de fragmententheorie, ``dat er heel veel fragmentarisch materiaal is gebruikt bij de eindredactie, géén zelfstandige teksten dus.'' Van der Kooijs conclusie: ``Friedman is maar één stem in het geheel van die discussie, zijn theorie is zelfs een beetje ouderwets.''

koffieautomaat

``Maar goed'', zegt Van der Kooij later bij de koffieautomaat: ``in de geesteswetenschappen is het nu eenmaal ook héél moeilijk te beslissen welke theorie beter is dan de andere. Het golft vaak een beetje heen en weer. Nu is de trend duidelijk naar late dateringen, in weerwil van Friedman dus. Maar waar het uitkomt is de vraag. De argumenten zijn vaak wel duidelijk, maar hoe moet je ze wegen? Daar denkt iedereen anders over. In reactie op al die discussies is natuurlijk die literaire stroming in de bijbelwetenschap ontstaan: kijk nou eens naar de tekst als geheel, laat die bronnen toch zitten.''

En wat voor reactie. Dat de school van de literaire analyse diep neerkijkt op de Documentenhypothese, wordt grimmig duidelijk uit de inleiding van de Leidse oudtestamenticus Jan Fokkelman bij het vorig jaar verschenen vuistdikke standaardwerk `De bijbel literair' (Meinema/Pelckmans). Die inleiding begint met een ware filippica tegen `de zogenaamde hogere bijbelkritiek', die bijbelwetenschap al meer dan twee eeuwen op `een dwaalspoor' brengt. Want al die eeuwen van fanatiek speculeren op basis van deze `in werkelijkheid lagere vorm van kritiek' heeft tot niets geleid, aldus Fokkelman. `Het wordt steeds duidelijker dat de berg een muis heeft gebaard (...) een consensus over de ontstaansgeschiedenis is verder weg dan ooit. De resultaten blijven louter hypothetisch, en ze vullen dikke en vooral dorre commentaren die vele gebruikers hebben ontmoedigd.'

De grootste fout van al die ijverige maar misleide geleerden is volgens Fokkelman dat ze denken dat de tekst `direct verwijst naar de buitentalige werkelijkheid'. Maar zo'n verwijzing naar de werkelijkheid is slechts `verbruik van taal', zo schrijft Fokkelman, te vergelijken met taalgebruik in alledaagse mededelingen en kattebelletjes. Écht belangrijk is `gebruik van taal en dat treffen we aan in de literaire tekst'. Het gaat Fokkelman om de eigen wereld van die teksten, verwijzingen naar de werkelijkheid erbuiten zijn oninteressant.

Het is alsof Fokkelman met de profeet Jesaja tegen de historische onderzoekers zegt: Luister maar, u zult het toch niet begrijpen, kijk maar scherp, u zult het niet vatten' (Jes. 6:9). Maar aan Van der Kooij is die hoon dus niet besteed (om over Friedman maar te zwijgen). Van der Kooij: ``Als je naar de tekst van het Oude Testament kijkt is deze bronnenkwestie het interessantst. Daarom wil ik juist naar het moment kijken waarop deze teksten zijn ontstaan. Waarom zijn ze geschreven? En wanneer? Dat is mijn eerste liefde in de bijbelstudie.'' Als hij even later even iets opzoekt in een oud bijbeltje uit zijn studietijd, met overal witte bladzijden voor aantekeningen, wijst hij op een kleine oude aantekening op een verder witte bladzijde: `J?'. Van der Kooij glimlacht. ``Het had al in mijn studietijd mijn belangstelling. In de loop der jaren heb ik zo de gehele Torah doorgelezen om zelf uit te zoeken hoe het zit.''

Vandaag schrijft Jan Fokkelman in de bijlage Opinie & Debat over de vertaling van de Godsnaam in de Nieuwe Bijbelvertaling. Volgende week vrijdag besteedt de bijlage Boeken ruim aandacht aan de Nieuwe Bijbelvertaling.