De archeologische tuinkabouter

Dankzij het verdrag van Malta, binnenkort in de Tweede Kamer, zijn er meer opgravingen. Maar er zijn zorgen om de kwaliteit.

`DE UNIVERSITAIRE archeologie begint homeopathische proporties aan te nemen', zegt Wil Roebroeks. Hij is hoogleraar prehistorie aan de Universiteit Leiden en directeur van de onderzoeksschool Archon. ``Momenteel zijn bijna duizend mensen werkzaam in de archeologie. De academische archeologie telt maar een kleine vijftig fte.''

Roebroeks spreekt zijn zorg over de marginalisering van de academische archeologie uit aan de vooravond van wat de laatste behandeling in de Tweede Kamer moet worden van het Europese Verdrag ter bescherming van het archeologisch erfgoed, onder archeologen beter bekend als het Verdrag van Malta of kortweg `Malta'.

Hoewel officieel nog niet van kracht, wordt al jaren `in de geest' van Malta gewerkt, zodat nu al gevolgen te zien zijn van de veranderingen van het archeologisch bestel die met de invoering gepaard gaan.

Als pluspunt van `Malta' geldt dat archeologie onderdeel is geworden van de ruimtelijke ordening. Archeologisch onderzoek wordt nu opgenomen in bouwschema's, zodat archeologen niet meer met de bulldozer in de nek hun werk hoeven doen en door een publicatieplicht mogen archeologen vervolgens niet jaren wachten met publiceren, waardoor opgravingsgegevens sneller beschikbaar komen. Ook niet onbelangrijk: door de vele bouwprojecten leiden de universitaire opleidingen archeologie niet meer op voor werkloosheid; studenten vinden vaak al tijdens hun studie werk bij een van de vele commerciële archeologische bedrijven, die sinds de liberalisering van de archeologische markt zijn ontstaan.

En omdat er genoeg werk is, stijgt ook het aantal studenten, zegt Roebroeks. ``Het aantal is de laatste jaren meer dan verdubbeld, in Leiden hebben wij zo'n negentig eerstejaars. En dat stijgende aantal krijgt onderwijs van steeds minder docenten.'' Begrijp hem goed, voegt Roebroeks er aan toe. ``Wij hebben niet minder geld door het Verdrag van Malta, maar omdat Malta er is zijn er wel meer studenten die opgeleid moet worden.'' Hij wil maar zeggen: de universitaire instituten leiden de toekomstige werknemers op van de archeologische bedrijven, die dankzij de Malta-archeologie kunnen bestaan. Dat wordt door de toenemende werkdruk steeds lastiger, want geld voor extra mensen aan de universiteit ontbreekt. ``Een oplossing zou kunnen zijn dat de universitaire archeologie van de overheid niet langer een alfa- maar een sciencefinanciering krijgt die ook recht zou doen aan het interdisciplinaire karakter van het hedendaagse archeologisch onderzoek.''

sorbonne

Misschien dat universitaire archeologen dan ook weer wat meer aan fundamenteel onderzoek toekomen. Roebroeks: ``Een collega, die net aan de Sorbonne is gaan werken, vertelde me dat hij daar eindelijk gewoon trots mag zijn dat hij zuiver wetenschappelijk onderzoek doet. Dat willen wij ook, in plaats van archeologische tuinkabouters voor een Vinexwijk leveren.''

Als gevolg van de liberalisering van de archeologische markt graven universitaire instituten minder op dan vroeger, waardoor de universitaire archeologen voor hun onderzoek steeds meer afhankelijk zijn van de data die de opgravingsbedrijven leveren. Om de wetenschappelijke kwaliteit in het nieuwe commerciële bestel te waarborgen is een heel systeem in het leven geroepen, met een kwaliteitsstelsel, een verplicht certificaat voor opgravingsbedrijven en een inspectie.

Deze waarborgen werken nog niet perfect, want er zitten nog gaten in het systeem. Voor Jeroen Bouwmeester van archeologisch onderzoeks- en adviesbureau BAAC was dat onlangs reden om een brief met `kritische kanttekeningen bij het huidige archeologische beleidsvoornemen' naar staatssecretaris Van der Laan te sturen. ``De situatie dreigt uit de hand te lopen'', zegt hij. Neem het `prospectief boren', dat de basis van het nieuwe bestel vormt, omdat op grond van dergelijk onderzoek wordt besloten of een terrein voor bouwwerkzaamheden wordt vrijgegeven of niet. Terwijl opgravingen alleen door gecertificeerde bedrijven gedaan mogen worden, is voor boren nog geen speciale vergunning nodig en zijn er geen kwaliteitseisen. Nèrgens staat met wat voor type grondboor gewerkt moet worden en hoeveel boringen in een terrein nodig zijn om vast te stellen of ergens wel of geen vindplaats ligt. Bouwmeester constateert dat de laatste tijd als gevolg van de toenemende concurrentie de kwaliteit van het booronderzoek achteruit gaat. ``Offertes bevatten soms de helft minder aan boringen dan tot niet lang geleden algemeen aanvaard werd. Vindplaatsen kunnen hierdoor ongezien verdwijnen.'' Een rondje langs provinciaal archeologen levert hetzelfde beeld op. Een aantal bedrijven levert meer dan eens matig werk, zeggen ze.

Diezelfde provinciaal archeologen zijn onderdeel van het bevoegd gezag dat bij een opgraving voor een Programma van Eisen moet zorgen. Hierin hoort te staan welke wetenschappelijke vragen een archeologisch bedrijf moet beantwoorden en met welke onderzoeksmethoden ze dat dienen te doen. En daar gaat het nogal eens mis, constateert Willem Willems, hoofd van de Rijksinspectie voor de Archeologie. ``Tien provincies hadden aangegeven dat ze zich hiermee wilden bezig houden, maar in de praktijk zijn het er door gebrek aan tijd en een enkele keer ook aan kennis maar vijf of zes.'' Bij gemeenten is de benodigde kennis nog minder aanwezig. Het gebeurt wel eens dat een bedrijf hem in paniek belt dat ze dringend een Programma van Eisen nodig hebben. Hij geeft dan maar toestemming dat ze dat aan een bevriende senior archeoloog van een ander bedrijf mogen vragen.

concurrentie

Slecht opgestelde Programma's van Eisen bieden bedrijven de ruimte om de grenzen van wat wetenschappelijk nog verantwoord is op te zoeken, is de ervaring van Henk van Haaster van BIAX Consult. Zijn bedrijf is gespecialiseerd in botanisch onderzoek en wordt door archeologische opgravingsbedrijven ingehuurd. Hij wil wel eerst nog even kwijt dat zijn bedrijf vooral kan bestaan doordat er vanwege het Verdrag van Malta meer opgravingen zijn. Maar hij constateert ook dat bedrijven, als er in een Programma van Eisen niet goed staat vermeld welk botanisch onderzoek nodig is, door de toegenomen concurrentie de neiging hebben om laag te offreren en bijvoorbeeld een bepaalde statistisch relevante steekproef niet in de offerte op te nemen. ``Wij hebben daarom al een paar keer een opdracht geweigerd. Maar dan zie je later wel dat iemand anders het doet. Ik heb er al bij de inspectie over geklaagd.'' Hij maakt zich ook zorgen over de afbraak van specialistische kennis aan de universiteiten. ``Hierdoor lopen opleiding, fundamenteel onderzoek en synthetiserend onderzoek gevaar.''

Zolang de gaten in het nieuwe systeem niet gedicht zijn, is de inspanning van de universitaire instituten om te proberen de kwaliteit van de commerciële opgravingen mede te waarborgen door studenten met wetenschappelijke ambities op te leiden vergeefse moeite. Roebroeks merkte het onlangs, toen twee oud-studenten, die nu bij commerciële bedrijven werken, over de gevolgen van Malta kwamen praten. ``Ik kon wel leuk mensen met wetenschappelijk libido opleiden, maar in het bedrijf waar zij werkten zegt hun baas dat ze dat maar voor de avonduren na het werk moeten bewaren. Maandag moet een opgraving klaar zijn. Dat is het dilemma.''