Bescherming verdachte burgers nodig

De Europese politie en openbare aanklagers werken steeds vaker samen. Maar een soort `Eurobalie' voor verdachte burgers ontbreekt.

Als het om grensoverschrijdende justitiële samenwerking gaat, houden de landen van de Europese Unie, ondanks hooggestemde verklaringen over samenwerking, de kaarten graag dicht tegen de borst. Strafrechtspleging raakt nu eenmaal aan de nationale identiteit. Toch is er nu echt iets aan het veranderen, signaleert een direct betrokken Nederlandse ambtenaar. In zijn oratie sprak de Maastrichtse hoogleraar internationaal strafrecht André Klip eerder dit jaar van ,,een niet aflatende stroom'' Europese strafrechtsinitiatieven.

Deze activiteit roept de vraag op of de regeringen niet te eenzijdig bezig zijn. Inmiddels zijn er wel de politiedienst Europol en Eurojust, het contact orgaan voor openbare aanklagers, beide gevestigd in Den Haag. Maar een voor de hand liggende tegenhanger – zeg maar: een `Eurobalie' ten behoeve van verdachte burgers – ontbreekt.

Om iets te doen aan dat bezwaar van eenzijdigheid heeft de Europese Commissie vorig jaar vrij plotseling een Groenboek uitgebracht, dat voorziet in procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de hele Unie. Vooreerst gaat het om vijf categorieën: rechtsbijstand, het recht op een tolk en vertaling, het recht op informatie over de procesgang, bescherming van kwetsbare groepen en consulaire bijstand.

Deze normen zijn niet alleen een kwestie van altruïsme jegens verdachten. Het voorstel moet een bijdrage vormen aan het beginsel van het overnemen door de lidstaten van elkaars justitiële beslissingen. Het beginsel van ,,wederzijdse erkenning'' is op de Top van Tampere (1999) in de strafrechtelijke samenwerking een belangrijke rol toebedeeld. Daar is wederzijds vertrouwen voor nodig en dat wil tussen de diverse landen van de Unie nogal eens variëren. De geplande Europese normen zijn dus twee vliegen in één klap.

Maar er is iets vreemds aan de hand met het Groenboek. Er is eigenlijk al in voorzien. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn namelijk gebonden aan het Europees verdrag voor de mensenrechten. Dit bevat het recht op een eerlijk proces. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg ziet daar op toe. Er zijn heel wat meer Europese staten plus Turkije aangesloten bij het verdrag voor de mensenrechten dan de leden van de EU. Dat leidt in de inmiddels aanzienlijke Straatsburgse jurisprudentie over een eerlijk proces onvermijdelijk tot een zekere ruimte voor nationale verschillen. Op zichzelf heeft de Europese Commissie dan ook een punt als zij deze marge voor de eigen club nader wil invullen.

Toch reageert de Nederlandse regering uitgesproken zuinig op het Groenboek. Staatssecretaris Nicolai (Europese zaken) noemt zijn reactie zelf ,,constructief doch kritisch en behoedzaam''. Nederland is bezorgd dat het de raadsman moet toelaten bij de eerste politieverhoren, van oudsher een teer punt omdat dit het onderzoek zou kunnen belemmeren. Bovendien gaat het voorstel geld kosten, al gauw 40 miljoen euro, denkt Nicolai. Het Europees Parlement heeft extra wensen ingediend, zoals het zwijgrecht van de verdachte, borgtocht en waarborgen voor voorlopige hechtenis.

Principiëler is de vraag van Nederland wat de rechtsgrondslag van de nieuwe EU-rechten is. Het Unieverdrag bevat een opdracht om de inhoudelijke omschrijving van de diverse delicten in de deelnemende landen te harmoniseren. Maar dat is iets anders dan het strafprocesrecht, de manier waarop politie en justitie mogen optreden. Daarvoor ontbreekt een EU-bepaling. En juist aan het strafprocesrecht zijn grote nationale eigenaardigheden en gevoeligheden verbonden, aldus de Tilburgse hoogleraren strafrecht Fijnaut en Groenhuijsen.

Nicolaï probeert er nog een mooie draai aan te geven. ,,Met dit voorstel komt de beschermende functie van het strafrecht tot uiting'', schrijft hij aan de Tweede Kamer. Beide hoogleraren waarschuwen echter dat hier ,,een nieuwe Europese kerntaak wordt gedefinieerd''; een niet-onaanzienlijke machtsverschuiving binnen de Unie. En er zit nog meer in het Brusselse vat, zoals gelijkschakeling van de regels voor de toelaatbaarheid van bewijs in strafzaken. Fijnaut en Groenhuijsen dringen aan op ,,grote(re) voorzichtigheid'. De Nederlandse ambtenaar zegt: ,,Het gaat nu heel snel''.