Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

We zijn op twee kilometer van ons dorp als één aanblik mij onmiddellijk intens gelukkig maakt. Op het moment dat we de laan indraaien die naar het dorp leidt, komt een oude zigeuner ons tegemoet gefietst. Midden op zijn stuur is een ijzeren, rechtopstaand stangetje bevestigd met aan de top een cd. De zon weerkaatst naar alle kanten in het ronde zilveren schijfje. De oude zigeuner is zich bewust van de blitz die hij maakt. Een ondeugende, tevreden glimlach krult rond zijn lippen en terecht, dit is de kunst van het leven: optimaal resultaat van minimale inspanning.

Het is Indian Summer in Somogye en de bomen en de velden zijn van een krankzinnige schoonheid, tientallen tinten bruin, geel en rood. Ik begrijp niet waarom revoluties meestal in oktober worden gestart – een diepe rust overvalt me. Verkleinen de kleuren en de rottende bladeren de doodsangst?

Toen we twee jaar geleden de boerderij kochten vroeg de eigenares of we haar hulp Kinga wilden overnemen: een pezige donkere vrouw met weinig tanden. We zaten in de aangebouwde serre, de opkamer van het huis, onder het asbest golfplaten dak, op de muur een enigszins amateuristische wandschildering, twee bij drie meter, van een tropische baai bij zonsondergang. Achter de wit-bruine vitrages lagen de heuvels van Somogye, in de natte valleien grasland, op de gelijkmatige heuvelruggen akkerland en daartussen op de steile kanten beuken- en eikenbossen. Dichter tegen het dorp aan noten- en vruchtenbomen en grillige stroken met acacia's, wilgen en populieren om verkoeling te brengen. Dit uitzicht, dit overweldigende beeld van vrijheid en ruimte, was voor mij het meest overtuigende argument naar Hongarije te verhuizen.

De eigenares van het huis was een kleine, rossige vrouw. Zij baatte een winkeltje uit in de tuin – ze had het monopolie op gasflessen in het dorp – daarnaast verkocht zij huis aan huis verzekeringen. Haar man, met de desperaat sympathieke uitstraling van Harry

Dean Stanton in Paris-Texas, bewerkte het omliggende land. Ze wilden graag verkopen. Het dorp heeft geen huisarts, geen middelbare school, geen riool, geen gasleidingen, matig drinkwater en er komt slechts drie keer per dag een bus. De doodskistenfabriek die voorheen het halve dorp werk verschafte ligt op z'n gat, net als de grote coöperatieve boerderij. Het kleine stadje tien kilometer verderop (mét huisarts, apotheek, middelbare school en electronica-winkel waar zelfs computers worden verkocht) oefent grote zuigkracht uit.

Tijdens de onderhandelingen raasde de kleurentelevisie, met daarop een gehaakt kleedje en een zilveren plastic klok, als een icoon van welvaart op vol volume door. Er werd voor ons een `betrouwbaarheidsshow' opgevoerd. Kinga, de halve zigeunerin, kreeg de portemonnee van de vrouw des huizes mee om postzegels te kopen. Het werd allemaal duidelijk van commentaar voorzien, als bij een ingewikkelde goocheltruc, alsof ze Houdini zelf in een gesloten stalen kooi in de Donau lieten zakken. Nog net niet werd ons de inhoud van de portemonnee getoond. Kinga vertrok. Wij dronken ondertussen zwarte koffie en cola uit twee-literflessen.

Het postkantoortje, een doos ter grootte van een container op een grasveld vlakbij de kerk – alleen open op doordeweekse ochtenden – ligt driehonderd meter heuvelopwaarts. Enkele maanden na Kinga's postzegelmissie kwam aan het licht dat de dame achter de balie al jarenlang de gepensioneerden van het dorp oplichtte door een deel van hun maandelijkse uitkering achter te houden. Het postkantoor was enige tijd dicht. Weer wat later doken de hoofdverdachte alsmede haar twee dochters ineens in het zwart en met heel vrome gezichten in het dorpsbeeld op. De frauduleuze dame had de misdaad, die in het dorp algemeen bekend was geworden, voor haar echtgenoot verborgen gehouden omdat hij het aan zijn hart had. Toen het hem uiteindelijk toch ter ore kwam bezweek hij. Het verdriet werd door de weduwe zo uitbundig uitgedragen dat je het gevoel kreeg dat hier haar hoop op strafvermindering lag.

Na twintig minuten kwam Kinga terug in de kamer met palmen en drabberige zandstranden – mét postzegels én portemonnee. Wederom werden alle handelingen voor onze neus verricht in een tempo alsof het de video-opnames voor een taalcursus betrof. Sindsdien helpt Kinga ons. Zij stookt 's winters de kachel zodat de leidingen niet bevriezen, zij zorgt voor de tuin rond de boerderij en haalt de aardappelen uit de grond. Op veel te grote rubberen laarzen struint zij rond, en overziet de kleiachtige aarde met de trots van een indianenopperhoofd. Het zijn in Hongarije de zigeuners die me het vaakst momenten van schoonheid bezorgen.

Gister was ik in het dorp om de verbouwing te controleren. Het regende dat het goot. Bergbeken baanden zich een weg door de vette rode klei. Ik was alleen, alle bouwlieden waren vertrokken. De maïs hing er triest en bruin bij. Achter mij, in de bocht van de weg, stopte de oude bus. De deuren klapten open. Een zigeunermeisje van een jaar of veertien stapte uit, aan haar hand voerde ze een klein meisje van vier of vijf jaar mee. Ze zagen mij niet. Ik stond in de luwte van het huis. Het was tegen de schemering. De bus trok weer ronkend op. Het grotere meisje nam het kleinere meisje op de schouders. Ze wandelde de weg af langs ons huis. Om de paar stappen stopte het grote meisje ineens abrupt. De peuter op haar schouders schoot dan naar voren en gilde het uit van de pret. Zo verdwenen ze met z'n tweëen de heuvel af, hortend en stotend en schaterend in de stromende regen.