Spannend, die dood van mij

Het schrijven van brieven was voor de Vlaamse dichter en essayist Herman de Coninck wat voor anderen de telefoon is: een medium om bij te praten, het hart te luchten, van gedachten te wisselen. Hij gebruikte het als een korte pauze van het échte werk of als een regelrechte uitvlucht. Soms emmerde hij maar wat, soms was hij onbeschaamd sentimenteel, maar daarbij ontglipte hem vaak genoeg voldoende scherpzinnigs. 15.000 brieven schreef hij in de loop der jaren, waarvan een `bescheiden' selectie van 444 stuks nu in Een aangename postumiteit staat. In brieven en kattebelletjes van 1965 tot aan zijn dood in 1997 – aan familie, vrienden en literaire figuren – passeert een leven met als constanten de drank, nachtelijke werkdrift, de neiging tot luiheid en een geweldige passie voor de poëzie.

De Coninck stierf op zijn drieënvijftigste aan een hartaanval, op straat in Lissabon, toen hij met collega-dichters op weg was naar een literair congres. Al twee jaar ervoor had hij zijn vriend Benno Barnard als zijn toekomstig testament-uitvoerder een brief geschreven (`Bennootjen'): `Het is geschreven vanuit het besef dat ik waarschijnlijk de zestig niet haal', opent hij met vooruitziende blik. En nadat hij heeft verteld hoe hij zijn brieven, waarvan hij getrouw kopieën maakte, heeft geordend (`in zo'n praktisch IKEA-mappenkastje') suggereert hij: `Ik ben geen slechte brievenschrijver: misschien is een postume strenge selectie uit mijn brieven wel leuk.'

Het is een wonderlijke ervaring om iemand van net vijftig al te zien schrijven over zijn eigen einde. Vijftig? Dat is in deze tijden toch een leeftijd om nog een studie aan te vangen, een nieuwe baan te nemen, of een nieuwe vrouw? In meer brieven zinspeelt De Coninck op zijn levenseinde. Nu had hij, als zelf verklaard melancholicus, in zijn poëzie altijd al een preoccupatie met dit onderwerp. Maar de toon van zijn latere brieven is een uitgebluste, vroegere brieven waarin de dood ter sprake komt, zijn eerder frivool.

Impasse

Zijn fatalisme van de laatste jaren steekt nog op een andere manier de kop op. Als zijn gedichtenbundel Vingerafdrukken (1997) op het punt van verschijnen staat, schrijft hij aan zijn uitgever Ronald Dietz: `Ik heb niet het gevoel dat ik na deze bundel nog veel belangrijks zal schrijven. [...] Ik ben uit mijn eigen poëzie aan het verdwijnen.' Had hij gelijk? Dat zullen we nooit weten, helaas, maar als je al zijn brieven hebt gelezen, ben je geneigd te zeggen van niet. Het brievenboek vormt een schitterend overzicht van zijn dichterlijke ontwikkeling. Gaat het hem er in zijn vroege bundels vooral nog om te `fantaseren over hoe het later zal zijn – wat nog altijd de liefde betreft dan', in zijn latere bundels zoekt hij de ervaring van het `hier en nu, tegenover de sterfelijkheid – die anderen dan weer de onsterfelijkheid noemen'. Geen verlangen meer maar aanvaarding, in een steeds meer verstilde poëzie. De Coninck merkte al een paar jaar eerder in een brief op dat zijn poëzie de kant op ging van `het soort religie van een agnosticus, bescheidenheidspoëzie tegenover het Alles'. Het is deze religieuze neiging die hij liever had willen onderdrukken (misschien ook omdat hij al een streng katholieke jeugd achter de rug had) en die hem in een impasse bracht. Maar in een dichterlijke impasse had hij al eerder gezeten, dus waarom zou hij daar nu niet uitkomen? Hij was het type van de trage, weifelende zoeker.

Zo duurde het ook jaren voordat hij een gedicht op papier kreeg over de scheiding van Lieve Coppens, blijkt uit de brieven. Na tien jaar ging ze bij hem weg, in 1984, tot zijn verbijstering. Pas in Enkelvoud (1991) vond hij er met een aantal gedichten de juiste vorm voor, en het juiste inzicht, schrijft hij Rutger Kopland: `Ik wou rouw uitvinden, en dankbaarheid om het voorbije.' Dat klinkt nogal klef, zo ronduit geformuleerd, maar lees bijvoorbeeld het gedicht `Middelburg Revisited' om te weten dat De Coninck er plastische en relativerende regels voor vond. De jarenlange `emotionele rotzooi' die aan die gedichten voorafging, bewaarde hij voor brieven aan vrienden. Die brieven maken je natuurlijk tot een schaamteloze voyeur, maar je steekt wel wat van ze op.

Het lukt De Coninck meestal om zichzelf van een afstand te bekijken, om juist door het brieven schrijven tot zelfkennis te komen. Die vormde de opmaat tot zijn vaak autobiografische poëzie, maar stelde hem bovendien in staat fijnzinnig te reageren op het leed (en in veel mindere mate het geluk) van vrienden. De talloze troostbrieven in het boek – waaronder heel mooie aan Geert van Oorschot – ontstijgen juist vanwege het samenspel van warmbloedigheid en reflectie het particuliere niveau.

Coppens was De Conincks grote liefde, al kwam hij daar pas goed achter na hun scheiding. Als Kristien Hemmerechts in zijn leven komt, in 1988, ontstaat er weer ruimte voor grappige en sexy regels. Uit de brieven blijkt dat hij na een aantal jaren beseft dat hij niet te veel verwachten wil. `Laten we maar weer van elkaar houden, misschien', schrijft hij in een even schuldbewust als liefdevol briefje op de keukentafel, nadat ze duidelijk weer onenigheid hadden gehad over zijn `doorzakken'. Ook aan anderen schrijft hij hoe zijn levenshouding regelmatig botst met die van de `wakkere' Hemmerechts. Hemmerechts zelf schreef al over De Coninck in haar `weduwenboek' Taal zonder mij (1998), maar de brieven zijn dichter op de huid van het leven geschreven, de complexiteit van hun leven is er aardser.

Alcohol

De Coninck had nóg een grote liefde: het Nieuw Wereld Tijdschrift. De brieven documenteren hoe gedreven hij dit blad maandelijks maakte, vanaf de oprichting in 1983. Hij stopte toen als journalist van Humo. Met het NWT had hij niet minder dan een missie. Ten eerste moest het een magazine zijn voor iedereen. Liever lag hij in de schappen van de kiosk naast Avenue en Playboy dan in de erkende boekhandel naast De Gids. Aan Jeroen Brouwers schrijft hij: `Anderzijds hoor ik nu al: jamaar, dat wordt gewoon een populistisch-literair blad. Om ook de buurvrouwen, waartoe ik mij richt, te bereiken, moet je literair geen mindere kwaliteit brengen, maar juist méér.'

Groten als John Berger, Breyten Breytenbach, Amos Oz en Milan Kundera verzocht hij om politiek-geëngageerde bijdragen. Met deze buitenlanders wilde hij zijn tweede doel bereiken: lezers laten zien dat literatuur interessanter was dan de eigen navel van de Nederlandstalige schrijvers. Hoe spraakmakend de hoofdredacteur inmiddels ook was (althans, in Vlaanderen), de oplage zakte van 15.000 exemplaren in het beginjaar naar uiteindelijk 2.500 exemplaren. Hij deed er van alles aan om die weer op te krikken. Zo bedelde hij bij pennenfabrikant Waterman of brouwerij De Coninck om een advertentie, op de jolige toon van een diep in de nacht geschreven, met alcohol overschonken brief.

De brieven die hij schrijft aan hermetische dichters als Huub Beurskens en Stefan Hertmans zijn van een voor hem zeldzame felheid. `Waar komt de moedwilligheid vandaan om perse zonder publiek de alleronbegrepenste beste dichter te zijn?' vraagt hij Hertmans in een lange, principiële brief. Van de weeromstuit kreeg De Coninck tegen het eind van zijn leven het etiket `eenzijdig-populistisch' opgeplakt. Tegenstanders noemden hem een `maffiabaas' die in zijn NWT vooral beschermelingen plaatste en over ze schreef in zijn wekelijkse column in De Morgen. In brieven verdedigt hij zich tegen dit soort aantijgingen. Probeerde hij niet altijd met onorthodoxe blik over poëzie te schrijven, zoals in zijn essays in Intimiteit onder de melkweg? Had hij als criticus niet `een smaak of vijf'?

Zeker is dat zo. De Coninck is in zijn essays altijd eerder een begaafd chroniqueur van de poëzie geweest dan een polemist die verdeelde en heerste. Maar toch, onontkoombaar, begonnen zijn poëzie en zijn smaak herkenbaar te worden. Het zou ongeloofwaardig zijn als het anders was, en binnen zijn beperkingen bleef hij verademend mooie essays schrijven, alleen vond hij dat zelf kennelijk niet voldoende. In een brief in 1994 aan Johanna Kruit schrijft hij: `Het nadeel is dat ik stilaan wel mijn ars poetica – en mijn begrijpen van andermans on poetica – te boek gesteld heb. Wat nu?' Dat hij er niet aan moest denken zichzelf te herhalen, geeft wel aan dat hij het zichzelf als dichter en essayist niet te gemakkelijk wilde maken. Het leven was ten slotte ook geen herhaling. De brieven tonen je de achterkant van zijn werk, je ziet de losse draden van zijn denken en voelen, je ziet hoe het veranderende leven uiteindelijk in zijn werk terecht komt. Dat is wel het aantrekkelijkst van Een aangename postumiteit: dat het je adembenemend dichtbij de bronnen van zijn schrijverschap brengt.

Herman de Coninck: Een aangename postumiteit. Brieven 1965-1997. Bezorgd door Annick Schreuder. De Arbeiderspers, 859 blz. €24,95