Klein zeer, grote man

Ooit was er een tijd dat Luciano Pavarotti niet wereldberoemd was. In 1963 kwam hij regelmatig naar Amsterdam om bij de Nederlandse Opera te zingen in de Stadsschouwburg op het Leidseplein. Toen Pavarotti, inmiddels megaberoemd, op Koninginnedag 1997 in de Amsterdam Arena optrad, herinnerde hij zich nog dat een Nederlandse muziekcriticus vierendertig jaar eerder schreef dat hij in Lucia di Lammermoor zong `alsof hij een gekookte aardappel in de keel had'. Maar later ging het beter: `In La bohème, had ik hier betere recensies.'

Een tenor vergeet kritiek nooit. Pavarotti, onlangs 69 geworden, zal zijn `manager, vriend en soms tegenstander' Herbert Breslin dan ook nimmer vergeven voor het deze week verschenen boek The King & I. Breslin beschrijft in `The uncensored tale of Luciano Pavarotti's rise to fame' met veel onthullende details over de zesendertig jaar dat hij werkte voor Pavarotti. Het komt, na hun breuk in 2002, tot een rancuneuze, ontluisterende afrekening.

Breslin maakte de aanvankelijk bescheiden Pavarotti groot en ze verdienden fabelachtig veel geld aan elkaar. Dankzij Breslins concept `De Drie Tenoren' kon Pavarotti uitgroeien tot de beroemdste operazanger aller tijden. Pavarotti scoorde op de populaire hitlijsten, vestigde record na record, trad op met popzangers en bereikte, samen met Placido Domingo en José Carreras, bij voetbalkampioenschappen een publiek van anderhalf miljard tv-kijkers.

`The King of high C's' wordt door Breslin neergezet als een onbenullig betweterig kind, een geldbeluste hork met overdreven pretenties en de belichaming van een ego dat nog veel groter is dan zijn legendarische fysieke omvang. Pavarotti babbelt, kletst, roddelt over alles en iedereen en hij beschimpt zijn collega's. Breslin schrijft het allemaal op: dat volgens Pavarotti de stem van Domingo niet kan tippen aan de zijne, dat Joan Sutherland `behoorlijk kierewiet' is, dat Elisabeth Schwarzkopf er zonder kostuum uitziet als een werkster. Het is de brallerige smalltalk van de Fat Man.

Breslin voegt aan de bestaande collectie hilarische opera-anekdotes ook wat aardige Pavarottiana toe. Zoals het verhaal dat hij tijdens een duet dorst kreeg en in de coulissen een glaasje water ging zoeken. Toen de sopraan zich op het toppunt van haar ellende tot de tenor wilde wenden, was daar slechts een leegte, zoals alleen Pavarotti die kan achterlaten.

Beschamender zijn de verhalen over zijn arrogantie, zijn stupiditeit, zijn talloze maîtresses (`secretaresses'), zijn overschatting van eigen capaciteiten, zijn absurde `artistieke' inzichten, de treurige neergang van zijn zingen. Wie opera een ridicule kunstvorm vindt en tenoren rekent tot de domsten op aarde, haalt hier zijn gelijk. Maar men kan zich afvragen of Pavarotti's privacy met dit boek niet schandelijk wordt geschonden. Aan het slot is Pavarotti toch nog een korte monoloog gegund. Hij is netjes en keurig tegenover Breslin, hij gedraagt zich welwillend, chic en voorkomend.

The King & I is vooral een zelfportret van Herbert Breslin, die zelfs poseert als slachtoffer: dat hij met zó'n man moest werken! Hij kijkt naar Pavarotti, zijn eigen product, en walgt van de wanstaltige tenor. Pavarotti verschijnt hier als een zanger die na zijn Amsterdamse optredens zijn ziel heeft verkocht aan de duivel. Als een Mefisto heeft Breslin zijn door roem en geld verblinde Faust over de wereld gevoerd, hij heeft zijn handigheid als manager bewezen en hij gooit tenslotte Pavarotti in de goot.

Herbert Breslin en Anne Midgette: The King & I. The Uncensored Tale of Luciano Pavarotti's Rise to Fame by His Manager, Friend, and Sometime Adversary. Doubleday, 309 blz. €32,50