Iedereen zijn eigen wespennest

Zo'n vijf jaar geleden kende de Franse Rentrée (het officiële begin van het boekenseizoen) een kleine hausse aan romans over de Tweede Wereldoorlog. Een aantal auteurs, veertigers over het algemeen, verdiepte zich in de verhalen die hun grootouders over die periode vertelden en onderwierp en passant de houding van hun eigen ouders aan een nader onderzoek. Tezelfdertijd werd ambtenaar en collaborateur Maurice Papon berecht en langzaam verdween het beeld van een actief en massaal verzet plegend Frans volk om plaats te maken voor een realistischer, heel wat minder heldhaftig verleden. Een vergelijkbare ontwikkeling viel in Nederland waar te nemen.

Ook vorig jaar ijlde dat verschijnsel in Frankrijk nog wat na. Een paar van die boeken zijn onlangs in het Nederlands vertaald. Eerst was er Bij afwezigheid van mannen, de prachtige, gedurfde debuutroman van Philippe Besson, over een jongeman (weliswaar tijdens de Eerste Wereldoorlog) die binnen enkele weken zowel in de literatuur als in de hartstocht wordt geïnitieerd; daarna volgde Grijze zielen, de uitstekende, breder opgezette roman van Philippe Claudel (die zich ook afspeelt rond 1917); en nu is er Een liefde zonder verzet van Gilles Rozier.

In zijn roman mengt Rozier beproefde elementen door elkaar: collaboratie, seks met de vijand, liefde voor literatuur en passie voor het slachtoffer. Zijn hoofdpersoon is een docent Duits, met een grote liefde voor de grote Duitse schrijvers. Als de oorlog uitbreekt worden als eerste de boeken van Heine, Zweig, Schnitzler en Mann ondergebracht in de schuilkelder onder het huis. Met die hoofdpersoon is iets vreemds aan de hand, wat vooral in het Franse origineel in het oog springt: Rozier laat, het hele boek door, in het midden of zijn naamloze verteller een man of een vrouw is. De Nederlandse vertaler is erin geslaagd alle persoonlijke voornaamwoorden die op het personage betrekking hebben neutraal te houden, maar desondanks ga je in de vertaling meteen uit van een mannelijke verteller.

Door die vreemde, kunstmatige handgreep, die de plot ambigu maakt (is het nu mannen- of heteroliefde?), raakt de lezer niet zozeer geïntrigeerd als wel geïrriteerd. We moeten, zo lijkt hij ons te willen verzekeren, in deze verteller een abstractie zien, los van naam en geslacht, een symbool voor menselijke identiteit, een wandelend moreel vraagteken.

Deze roman zindert van de morele vragen. Ieder personage steekt zich in een moreel wespennest. Zo heeft de zus van de verteller, de weduwe van een door het verzet vermoorde collaborateur, een relatie met een Duitse SS'er. `Hij neukte met mijn zus Anne, vergeef me de uitdrukking maar ik weet geen betere. De kristallen kroonluchter klingelde onder de stoten van die mof. Ze was net als haar vaderland: veil.' De moeder doet alsof ze niets ziet, de verteller verlaat het huis zodra de Duitser over de drempel stapt. De vader verricht dwangarbeid op een boerderij in Duitsland en verleent bedgunsten aan de boerin, wier echtgenoot als soldaat is opgeroepen. De verteller, die een huwelijk is aangegaan zonder enig gevoel van liefde of verbondenheid, laat zijn/haar partner emotioneel verkommeren, waardoor deze zelfmoord pleegt. Tegelijkertijd wordt de verteller, die de Duitse taal goed beheerst, door de bezetter gesommeerd vertalingen te maken van teksten waarin tot jodenhaat wordt opgeroepen.

In het stadhuis, waar de verteller eens per week de te vertalen teksten moet ophalen, ziet hij/zij hoe verzetsmensen en joodse inwoners van het stadje in de kelders verdwijnen. In gesloten vrachtauto's aan de achterkant komen ze er weer uit. In een opwelling neemt de verteller uit de gangen van het stadhuis een joodse jongeman mee naar huis en brengt hem onder in het leeskabinet in de kelder. Dat is geen daad van verzet, maar een daad van eigenbelang, omdat de verteller al enige tijd een oogje had op de jonge Pool.

Ook de gepassioneerde verhouding die er tussen beiden ontstaat heeft een dubieuze morele bijsmaak: de verteller heeft de macht, bepaalt of de onderduiker te eten krijgt en of zijn po wordt geleegd. Overdag leest de joodse man de grote Duitse schrijvers met wie hij zijn onderkomen deelt. 's Nachts verleent hij liefdesdiensten – en als lezer komen we niet te weten of dat louter is om zijn hachje veilig te stellen. Ieder speelt zijn rol, schrijft Rozier, `de verzetsstrijder pleegt verzet, de jood houdt zich schuil, de zus spreidt haar benen'. Alleen de ik-persoon is `als een tak aangetast door verrotting, een hakblok overgeleverd aan de storm' – een personage zonder naam, zonder karakter, zonder contouren.

Gilles Rozier, in het dagelijks leven directeur van het Instituut voor Jiddische Cultuur in Parijs, heeft met bijzonder vakmanschap een antiheld geschapen, aan de hand waarvan hij grote thema's illustreert: hoe om te gaan met verraad, schaamte, met schuld en lafheid en met het verschijnsel Ich habe es nicht gewusst. Ook laat hij zien hoeveel verwantschap er bestaat tussen het Duits en het Jiddisch, in klank en in literatuur, terwijl deze twee talen bij uitstek vijandige posities vertegenwoordigden.

Een liefde zonder verzet is een sobere vertelling, waarvan vooral het eerste hoofdstuk adembenemend is in zijn kale absurditeit. De hopeloze verrotting van de mens in oorlogstijd heeft Rozier scherp verbeeld – en daar had hij die vreemde, kunstmatige sekseloosheid van zijn hoofdpersoon helemaal niet voor nodig.

Gilles Rozier: Een liefde zonder verzet. Vertaald uit het Frans door Théo Buckinx. Ambo/Manteau, 158 blz. €16,95