Het leevt, leefd, leevd of leeft

Al eeuwen buitelen onder- wijzers, dominees, schrijvers, drukkers en zeurpieten over elkaar heen om een stan- daardtaal vast te leggen. Alles tevergeefs. Nu zijn voor het eerst al deze pogingen en de ontwikkeling van het Nederlands in kaart ge- bracht. Over de overschat- ting van de Statenvertaling en de onstuitbare opmars van het Poldernederlands.

Taal is mensenwerk. Wat zou het anders moeten zijn? Een gift van de natuur, van een God, van de evolutie? Natuurlijk niet. Twee dove kinderen beginnen direct met elkaar een gebarentaal te bedenken en daarin te kletsen. Het is waar dat we weinig tot niets weten over de vroegste tijd van de taal die haast per definitie de vroegste tijd is van de mens. Maar het boek van Nicoline van der Sijs gaat over de ontwikkeling van het nu klinkende Standaardnederlands vanuit de talloze – hun tal is niet te tellen – taaltjes die vijf eeuwen geleden in onze streken werden gesproken.

Met een enigszins beschamend woord noemen wij die standaardtaal: Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN), dat ook minder beschaafden soms uitstekend blijken te beheersen. Aan de vorming van dat ABN hebben vele groepen mensen de laatste vijf eeuwen bijgedragen: moeders, onderwijzers, politici, dominees, vertalers, schrijvers, drukkers, analfabeten, buitenlanders, zeurpieten, de een wat meer bewust met de taal bezig dan de ander.

Van der Sijs heeft het in haar magistrale studie over de bewusten onder die taalmakers, zonder dat zij, hoop ik, onrecht wil doen aan al die anderen. Mensen die over het Nederlands nadachten en hun conclusies publiceerden. Het gaat haar om een groep van ruim tweehonderd mensen, die zij spraakkunstenaars noemt. Ze staan achterin het boek met bij ieder de plaats en het jaar van geboorte en dood. Ik ging onmiddellijk aan de slag om te zien in welke decennia en uit welke streek die helden afkomstig waren. Het bleken zestig procent Nederlanders, uit Amsterdam (30) tot Zwolle (1), dertig procent Belgen, uit Antwerpen (11) tot Vilvoorde (1), en nog wat Duitsers, Fransen, Engelsen. De helft werd geboren tussen 1570 en 1670, dus die beschouwen we als zeventiende-eeuwers. Een kwart werkte vóór 1600 en een kwart na 1700. Ik was trots op mijn overzicht en er ontsnapte mij dan ook een vloekje toen ik op pagina 613 van het boek aankwam en zag dat Van der Sijs die tellingen ook al had gedaan.

Natuurlijk kun je voor de ontwikkeling van het ABN ook aankomen met dingen als protestantisme, staatsvorming, treinen, postbodes, boekdrukkunst, koloniale expansie, of de Tachtigers. Maar dat leidt tot eindeloos gelul, en het lijkt mij een verstandige keus om je te beperken tot de mensen die, natuurlijk ook ieder op zijn manier beïnvloed door de loop der geschiedenis, hun ideeën op papier hebben gezet. Weinig mensen in de wereld hebben de publicaties van dit tweehonderdtal gelezen. Van der Sijs wél, en zij meldt dat zij ze zelfs echt in handen heeft gehad. Je zou het een levenswerk willen noemen, ware het niet dat dit boek van vier centimeter dikte niet lang geleden werd voorafgegaan door, onder meer, een boek van 5 centimeter over geheimtalen, 7 centimeter over leenwoorden, 8 centimeter over woordchronologie, en 20 centimeter breed over de talen die je nog steeds – in Nederlandse steden en streken naast het ABN kan horen.

Wat schreven die tweehonderd? Zij schreven een hoop onzin. Voor de een was het Diets het Oudst, want al vóór het Hebreeuws in de hof van Eden gesproken, voor de ander was het Diets het Duids, want de duidelijkste taal ter wereld, dus ideaal voor de wetenschap. De een vond dat een woord moest worden opgeschreven zoals je het hoorde, de ander zoals het in elkaar zat, weer een ander zó dat je begreep waar het woord vandaan kwam. De een wilde dat Nederlands zes naamvallen had en bijna allemaal wilden ze – en willen ze tot vandaag toe! – ons wijsmaken dat elk de-woord vrouwelijk of mannelijk is. Op een enkeling na wilden ze het Nederlands als aparte taal bevorderen, liefst zonder vreemde insluipsels, of het moesten die Latijnse naamvallen en geslachten zijn. Allemaal waren het patriotten, zoals het paste in de eeuwen dat Nederland werd uitgevonden.

`De taal is ziel der natie', was de leus. Pech voor de schizofrene Belgen, en voor de Amerikanen die hun ziel uit Engeland moesten importeren. En dat allemaal in de zeventiende eeuw, toen ons land werkelijk een multiculturele samenleving was met Belgen, Duitsers, Zwitsers, Fransen, Engelsen die hier kwamen omdat wij het modernste land ter wereld waren, en waar Latijn en Frans de talen waren van kerk en wetenschap, van diplomatie en adel.

Van der Sijs heeft voorgangers gehad. Die vertelden ons dat de bijbelvertaling uit 1637 grote invloed op onze taal had en dat de vlucht van Belgische insurgenten voor de Spaanse brengers van de ware godsdienst in 1585 veel Vlaamse invloed op onze taal heeft gehad. Ik heb die dingen ook geloofd. Maar ze blijken niet waar te zijn en we moeten onze overtuigingen herzien. Van der Sijs laat zien dat de Statenvertaling al bij verschijning archaïsch Nederlands was, zoals het bij de vertaling van komende week ook wel weer zal zijn. Ze vertelt dat de Schrift-spelling in de jaren erna vaak herzien werd. Maar ze geeft toe dat een grote stapel uitdrukkingen (later zegt ze zelfs: `woorden en uitdrukkingen') uit de vertaling stammen. Dat is dan toch een flinke invloed, nog afgezien van het dagelijkse voorlezen, zoals wij weten van Jan Wolkers en Maarten 't Hart.

Van een sterke Vlaamse invloed, zo bewijst Van der Sijs, was bij de bijbelvertalers geen sprake. Hetzelfde is het geval met de vaak besproken invloed van de rijke Antwerpers. Die gingen met zijn allen in een Amsterdamse buurt wonen en klapten daar met elkaar. Alleen in Leiden kwamen duizenden Vlaamse wolbewerkers die het Leids tot vandaag toe beïnvloed hebben. Ik heb zelf het dubbele rijtje woorden (Zuidelijk - Noordelijk)

gaarne graag

gans heel

gelijk zoals

gereed klaar

heden vandaag

heffen tillen

huwen - trouwen

zenden sturen

zieden - koken

voor Franse studenten gedeclameerd, niet beseffend dat het lijstje niet erg lang is en dat veel van die woorden helemaal niet nieuw waren in de Republiek. Maar ik ben dan ook geen Neerlandicus, net zomin als Van der Sijs dat is, zoals zij ergens trots opmerkt. Waarom is er zo lang geloofd in die bijbelvertaling en die Vlaamse vlucht? Omdat wij liever horen over meteoren en vulkanen die flora of fauna beïnvloeden dan over langzame klimaatsveranderingen of traag schuivende aardplakken.

Van der Sijs bewijst dat de beïnvloeding uit het zuiden in het niet valt bij die uit het oosten. Honderden jaren lang zijn Duitsers ons land binnengewandeld. Die Duitsers integreerden geluidloos en wij met hun. Ook de oostelijke dialecten deden kalmpjes hun werk. Dat is eigenlijk wat betreft taalbeïnvloeding de belangrijkste conclusie van dit boek. Maar er is gelukkig veel meer.

De taalkundige kern ligt in drie hoofdstukken die de uitspraak, de spelling en de grammatica behandelen. De ontwikkeling van de uitspraak is natuurlijk lastig na te gaan bij gebrek aan geluidsdragers, op de koekoek na. Maar uitspraak is de basis van spelling. Ik ga niet alle spel-ideeën langs maar geef hier een hilarisch staatje van vier woordbeelden van `koeien' zoals voorgesteld in 34 jaren uit de zestiende eeuw:

1550 coeiën

1576 kouien

1581 kouiën

1584 koeyen

Even vermakelijk is het lijstje voorgestelde `betere' spellingen in acht jaren uit de vorige eeuw:

1980 hij leevt

1985 hij leefd

1988 hij leevd

nu: hij leeft

Nog steeds is de ideale spelling niet bereikt en dat zal ook nooit gebeuren want er bestaat geen spelling die zowel lezers als opschrijvers tevreden stelt. Dit droevige feit veroorzaakt twee rampen. De ene ramp is het Nationaal Dictee, waarmee de bevolking bang wordt gemaakt om een woord op papier te zetten en in de waan wordt gebracht dat wij een moeilijke spelling hebben. De andere ramp is die van het `Verloedering!'-syndroom, uit de monden van mensen die bijvoorbeeld beweren dat Franse en Engelse kinderen Rabelais en Shakespeare lezen in de spelling die de Pastoor van Meudon en de Zwaan van de Avon zelf hanteerden. Dat is niet zo.

In het hoofdstuk grammatica loopt de fantasie van de spraakkunstenaren hoog op. Fantastischt was een mijnheer Van Heule die verschil wilde maken tussen hem en him, voor de vierde en derde naamval: `Anna gaf him hem'! Hoe kan Heule gedacht hebben dat onze voorvaderen die verrijking zouden overnemen? Het is him niet gelukt. Niet met hem en him, evenmin als het Hooft lukte met hem en hum. Maar hij heeft ons wel meer dan drie eeuwen lang zo gek gekregen een verschil tussen hen en hun in te voeren, dat nog steeds schrijvers van ingezonden brieven vuur in de pen geeft. Van Heule had hen bedoeld voor de zesde naamval, corresponderend met de Latijnse ablatief. De oorlog tegen het `onbeschaafde' hun heeft inmiddels een ander front gekregen. Vorige week hoorde ik staatssecretaris Van der Knaap `hun zeggen' zeggen.

De naamvallen zien we in de loop der tijd verstenen in vaste uitdrukkingen, en dan vaak verkeerd. Het moet `in de loop des tijds' zijn, maar Van der Sijs zag dat Google 16.000 keer `in de loop der tijd' voorschotelt tegen slechts acht keer `in de loop des tijds'. Dat was misschien een jaar geleden zo. Vandaag, woensdag 20 oktober 2004, is de stand 31.000 tegen 33. Google-getallen mogen alleen relatief gebruikt worden.

Wetenschappers en schrijvers hebben ook actief bijgedragen aan het vormen van de standaardtaal. Stevin kreeg teerling voor kubiek en kubus er niet door, maar wel langwerpig en rechthoekig. Van Leeuwenhoek bedacht de woorden hoornvlies, azijnaaltje, opperhuid. Van der Sijs klaagt dat het Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) hem daarvoor geen eer betoont, maar dit eerbiedwaardige lexicon doet dat wel, in de artikelen Vaststaan, Aal en Verband. Dat is in latere delen, maar de brieven van Van Leeuwenhoek werden pas in 1939 uitgegeven en toen was de helft van het WNT al gedrukt. Ik zeg dit om te laten zien dat ik heus wel kritisch las.

De samenvatting van het hoofdstuk over de literaire schrijvers begint met de zin: `Aanvankelijk diende de literatuur om propaganda te bedrijven voor het gebruik van de eigen taal, en wel in de zuivere vorm'. Dat kan de schrijfster niet menen. De literatuur moet ook in de eeuw dat het Nederlands uitgevonden werd nog een ander doel gehad hebben: mooie gedichten, toneelstukken en geschiedverhalen schrijven. Dat Hooft en Vondel taalpropaganda bedreven, betekent niet dat ze alleen daarom pen op papier zetten.

In het laatste hoofdstuk komt een aap uit de mouw. Van der Sijs keert zich daar tegen de mening van onder anderen Hans Bennis, de huidige directeur van Voskuils Bureau, die zei: `Wie de loop van de geschiedenis bestudeert, komt al snel tot de conclusie dat bewust ingrijpen in taal niet lukt'. Van der Sijs: `Dat is apert onjuist: de spraakkunstenaars hebben gezorgd voor een duidelijke breuk met het verleden, er is heel vaak geen sprake van een ``natuurlijke'' lineaire taalontwikkeling van de Middeleeuwen tot heden'.

Ik denk dat zij aangaande spelling en grammatica gelijk heeft, maar ook wat betreft uitspraak en woordkeus? Er wordt veel gesmaald over Poldernederlands, maar ik zie niet hoe het tegengehouden kan worden. Er wordt veel gerild over, bijvoorbeeld, mijn gebruik hierboven van het woord `gelul', maar is het te stoppen?

Enig licht op de ruzie tussen Bennis en Van der Sijs zou misschien kunnen komen van vergelijkbare studies naar andere cultuurtalen, de talen die na de instorting van het Latijn, overal hun opmars begonnen. Ik denk aan de Storia della lingua italiana van Bruno Migliorini uit 1960, bewerkt door Griffith voor de serie The Great Languages, waarin ook boeken over Frans, Duits, Sanskriet en over Romaanse, Slavische en Skandinavische talen zijn verschenen. Wat zou het prachtig zijn als Van der Sijs haar boek in zo'n Engelse serie verscheen. Natuurlijk is de ontwikkeling van elke taal verschillend, maar er zijn misschien toch algemene conclusies te trekken, die geen rekening houden met Dante, Luther en Vondel.

Ik eindig met drie sullige opmerkingen.

Eén. Dit is een geleerd boek. Elke bewering heeft een nummertje en achterin het boek staat bij dat nummertje op welke pagina van welk boek die bewering gefundeerd is. Het is een uitzondering dat zulke boeken voor buitenstaanders genietbaar zijn. Mij schieten hier nu alleen de boeken over vuur en Multatuli van Goudsblom en Van der Meulen te binnen. Dit boek hoort daar ook bij. Het is duidelijk en spannend, maar altijd algemeen-beschaafd – ik schrok zelfs van het woord `niks' op bladzijde 243 , zoals u misschien daarnet schrok van `wij met hun' en `Van der Sijs haar boek'. Dat zeg je en hoor je, maar dat lees je niet en dus had ik het niet moeten schrijven.

Twee: onder de tweehonderdnegenentwintig taalkunstenaars is één vrouw, Johanna Corleva (Amsterdam, 1698). Dat viel me op, en daar maakt de schrijfster ook een opmerking over. Toen rond 1800 geprobeerd werd de geslachten van de- woorden vast te stellen, want geen Noord-Nederlander weet van een de-woord of het mannelijk of vrouwelijk is, schreef een taalkundige man: `aan mannelijk is het denkbeeld van grootte, sterkte, werkzaamheid en verschrikkelijkheid verbonden en aan vrouwelijk: zwak, zacht, vruchtbaar, schoon, aangenaam en lijdend'. Vandaar natuurlijk dat het Groene boekje verordonneert dat theepot mannelijk is en theebus vrouwelijk `Lepel die thee uit haar in hem'.

Niet uit een feministisch vooroordeel maar omdat de taalstudie in handen van vrouwen komt, steunt Van der Sijs op de research van: Boyce Hendriks, Marije van der Wal, Anita Pauwels, Jo Daan, Marjolein Kool en veel andere vrouwen. Vroeger waren het de kerels die brutaal een ei aai gingen noemen, nu doen de meiden het.

Drie. Zover ik weet werkt Nicoline van der Sijs niet bij een universiteit, maar leeft zij van de vuistdikke boeken die ze in razend tempo laat verschijnen. Ik wil niemand tot een universitaire baan veroordelen, maar het zou voor elke universiteit een eer zijn Van der Sijs studenten te laten onderwijzen. Niet over wat er in dit boek staat – dat kunnen ze zelf lezen – maar in de kunst om zo'n gecompliceerd boek helder, onderhoudend en verantwoord te schrijven.

Als u geen belangstelling hebt voor het ontstaan van het Algemeen Beschaafd Nederlands, dan moet u dit boek gaan lezen en het zal u buitengewoon gaan interesseren.

Nicoline van der Sijs: Taal als mensenwerk: het ontstaan van het ABN. Sdu Uitgevers, 718 blz. €54,50