Geef mij mijn oude vrienden maar weer terug

Er is een nieuwe Sándor Márai opgestaan en zijn naam luidt Antal Szerb. Ook hij was een gevierd Hongaars schrijver in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog, een meester van de psychologische roman, een burgerkunstenaar die zich afzette tegen zijn milieu, maar er uiteindelijk toch niet mee kon breken. En ook hij heeft lang op zijn herontdekking moeten wachten.

Maar nu is Szerb terug in de westerse literatuur met een Engelse, Duitse en Nederlandse vertaling van zijn overstelpende roman Reis bij maanlicht uit 1937. Een boek over het leven in al zijn mooie, vermakelijke en afzichtelijke gedaantes. Een roman die op een Kafkaëske manier aan de werkelijkheid ontstijgt, maar je aan het eind een paar onontkoombare waarheden in het gezicht smijt.

In eerste instantie lijkt Reis bij maanlicht een vermakelijk, absurdistisch niemendalletje over een uit de hand lopende huwelijksreis in Italië, een land dat door de hoofdpersoon Mihály `iets voor volwassenen' wordt genoemd vanwege zijn alomtegenwoordige geschiedenis, die met zijn kerken, kloosters en kunst een belangrijke rol in het boek speelt. De Italiaanse steden die in het boek voorkomen worden bovendien op een zintuigelijke manier beschreven.

In Venetië, de eerste stad die het bruidspaar aandoet, komt Mihály na afloop van een eenzame, nachtelijke dwaaltocht tot de conclusie dat zijn vrouw Erzsi hem nooit zal begrijpen. `Is dit het huwelijk?' vraagt hij zich af als hij in zijn hotelkamer weer met haar wordt verenigd en op haar onbegrip over zijn wegblijven stuit. En daarmee is de aftrap gegeven voor de geleidelijke ontbinding van hun verhouding. Want Reis bij maanlicht is vooral een roman over het snakken naar vrijheid, over het ontsnappen aan de conventies van de bourgeoisie, over het zoeken naar het ware geluk, over doodsangst, maar ook over herinneringen aan een paradijselijke jeugd waarin alles werd toegestaan en de liefde nog zuiver was. Die thematiek deelt Szerb met Márai en doet ook denken aan diens autobiografische roman Bekentenissen van een burger (1934) en de Bildungsroman De opstandigen (1930).

In zijn jeugd kreeg Mihály voor het eerst last van hallucinaties, die hem op de meest onverwachte momenten het gevoel gaven dat de grond onder hem openspleet en hij aan de rand van de afgrond stond. Tijdens een van die angstaanvallen ontmoet hij Tamás Ulpius, een excentrieke jongeling die een incestueuze verhouding heeft met zijn zuster Eva. Met hem krijgt Mihály `een adolescentenvriendschap die dieper kan zijn dan liefde'. Samen met Janós en Ervin, een naar het katholicisme neigende jood, vormen ze een groepje van bohémiens die alles doen waar ze zin in hebben. Voor Mihály is die vriendschap een ontsnapping aan zijn eigen burgerlijke milieu.

Aan alles komt een einde als de romanticus Tamás zelfmoord pleegt, omdat hij geen zin heeft in het geestdodend bestaan als gemeenteambtenaar waartoe zijn vader hem heeft gedwongen. Eva lost nu op in het niets en Ervin gaat het klooster in. Mihály studeert nog enkele jaren theologie, stapt na een paar boemeljaren in de zaak van zijn vader en trouwt met de rijke Erzsi, die haar eerste man voor hem verlaat.

Een van de vermakelijkste en tegelijkertijd verontrustendste scènes uit het boek is die waarin Mihály, tijdens een tussenstop van de trein naar Rome, koffie gaat drinken in een stationsrestauratie en vervolgens op de verkeerde trein springt zodat hij letterlijk van Erzsi gescheiden wordt. Hij accepteert zijn lot echter alsof het heel gewoon is en beseft naarmate hij verder van zijn vrouw verwijderd raakt, dat hij onbewust toch al van haar af wilde. Hij trekt nu alleen verder, totdat hij een zenuwinzinking krijgt en in een ziekenhuis belandt. Zijn ziekte is het begin van een louteringstocht die hem op het spoor brengt van Eva en Ervin en hem door alle krochten van zijn geest voert. Zijn verleden is een obsessie voor hem geworden, alsof hij alleen te midden van de vrienden van zijn jeugd nog echt kan leven.

De roman krijgt vanaf dit moment iets onwezenlijks en spookachtigs, waarmee de schrijver zijn grote verbeelding tentoonspreidt. Uiteindelijk keert Reis bij maanlicht terug naar de aardse realiteit als Mihály Eva vindt, die in afzondering wacht op de `terugkeer' van haar dode broer Tamás. Toch is Mihály's geluk met deze ontmoeting niet herwonnen. Hij belandt in een nog grotere crisis die zijn ondergang lijkt te worden. Maar aan het slot van de roman overwint de levensdrang en kruipt Mihály, anders dan Eva, uit het dal van zijn nostalgische Weltschmerz om het bestaan te accepteren zoals het is en daarin het geluk te ontdekken.

Antal Szerb (1901-1945) was een jood die door zijn vader katholiek werd gedoopt en zich ook wezenlijk tot het katholicisme aangetrokken voelde. Net als zijn romanpersonages Mihály, Ervin en Tamás wilde hij zich losmaken uit het bourgeoismilieu waaruit hij stamde. Reis bij maanlicht bevat aldus tal van autobiografische elementen, waardoor het boek een extra interessante kennismaking met Szerbs werk en leven is. Ieder personage heeft wel iets van de schrijver zelf. Zo is Mihály bijvoorbeeld een mix van Antal en diens vader, een weinig succesvolle zakenman met een grote interesse voor kunst.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou Szerbs doop hem, net als de talloze andere bekeerde Hongaarse joden, niet beschermen tegen het geweld van de Pijlkruisers, de Hongaarse fascisten, die vooral als het joden betrof overijverig met de nazi's collaboreerden. In 1943 zette de minister van Cultuur zijn ongekend populaire Geschiedenis van de Wereldliteratuur op de zwarte lijst. Het boek zou pas in 1990 weer in zijn oorspronkelijke uitgave verschijnen.

In 1944 werd Szerb opgeroepen voor dwangarbeid. Hij belandde in een werkkamp aan de Oostenrijkse grens, waar hij verenigd werd met zijn twee beste vrienden, ook katholieke joden. Een poging van zijn bewonderaars om hem met behulp van een vervalst dienstbevel uit het kamp te krijgen wees hij af, omdat hij per se het lot van zijn generatie wilde delen. In januari 1945 werd hij door jonge Pijlkruisers doodgetrapt.

Na de oorlog werd Szerbs werk, net zoals dat van andere `bourgeoisschrijvers', door het communistische regime verboden. Tot in de jaren zestig de dooi van het `goulash-socialisme' intrad en een deel van zijn werk, zij het in gecensureerde vorm, voor een Hongaars publiek opnieuw beschikbaar kwam en opnieuw werd verslonden.

Met de elegante vertaling van Györgyi Dandoy is een van zijn romans nu ook in het Nederlands te lezen. Hopelijk wordt in het kielzog van het postume succes van Sándor Márai (1900-1989) ook dit boek als een vergeten klassieker omarmd.

Antal Szerb, Reis bij maanlicht. Vertaald uit het Hongaars door Györgyi Dandoy, Van Gennep, 254 blz. €17,90