Europa in het huis van de islam

Amerika strijdt voor democratie in het Midden-Oosten, aldus president Bush en zijn neoconservatieve adviseurs; de terroristen van Al-Qaeda op hun beurt willen een totalitaire theocratie vestigen in de Arabische wereld. Die ideologische verschillen tussen beide radicale voorhoeden zijn helder. Maar zijn er ook strategische overeenkomsten tussen beide ambitieuze programma's voor de Arabische wereld?

Volgens de Franse politicoloog en islamkenner Gilles Kepel wel: we hebben in beide gevallen te maken met radicale groepen die met gebruik van geweld de gestagneerde status quo in het Midden-Oosten willen doorbreken en de huidige corrupte regimes willen omverwerpen. Dat maakt neoconservatieven en terroristen natuurlijk niet tot één pot nat, integendeel, maar het geeft wel aan dat de huidige crisis in de regio al lange tijd voor de invasie van Irak door twee ideologische kampen werd aangejaagd, die het doel gemeen hebben van een ingrijpende herverkaveling van het gebied.

Al kort na de Koude Oorlog vond volgens Kepel een `strategische overdracht van vijandigheid' plaats onder de neoconservatieve buitenlanddeskundigen van de gehate sovjets naar de islam; voor islamitische fundamentalisten werd Amerika na de Zesdaagse Oorlog en de Khomeiny-revolutie in Iran, maar vooral na het stationeren van `heidense' troepen in Saoedi-Arabië tijdens de Golfoorlog van 1991, `de grote Satan'. Volgens Kepel raakte de regio klem tussen de radicale facties, die ook allemaal belang hadden bij het mislukken van het moeizame Israëlisch-Palestijnse vredesproces.

Het is niet de enige prikkelende waarneming in The War For Muslim Minds, het jongste boek van Kepel, verbonden aan het Parijse Instituut voor Politieke Wetenschappen. Kepel is lid van een lichting Franse islamkenners, waartoe ook Olivier Roy behoort, wiens meest recente titel L'islam mondialisé (besproken in Boeken, 01.11.02) onlangs in het Nederlands is vertaald. Beiden zijn eerder politiek dan ideologisch, hebben een open oog voor de gevaren van de radicale islam – Roy, kenner van Afghanistan, schreef daar al begin jaren negentig over – maar ook voor de complexiteit en diversiteit van de islamitische wereld, de sociaal-politieke processen die zich daar afspelen, en de meervoudige rol van de islam daarin.

Separatisme

Beiden leveren telkens weer verrassende, stimulerende impulsen aan de gedachtevorming, in plaats van het recyclen van platitudes over botsende culturen of andere etnocentrische clichés. Roy heeft laten zien hoe de radicale politieke islam stukliep, en hoe de islam in Europa steeds verder onthecht raakt van de culturen in de landen van herkomst, die in `pure' staat allang niet meer bestaan.

Kepel tekende in Jihad een zeer gedetailleerde staalkaart van het radicale islamisme. In zijn nieuwe boek, in het Frans verschenen als Fitna: guerre au coeur de l'islam (Broché) poneert Kepel de stelling dat de wereld van de islam niet zozeer in de greep is van jihad – de doelgerichte strijd tegen de vijand, vanuit een toestand van hegemonie en harmonie – maar juist van het tegendeel ervan, fitna, een heftige innerlijke verdeeldheid. Extremisten die streven naar een islamitische staat zijn de antithese van gematigde moslims die het geloof willen incorporeren in een pluralistische wereld. Deze `strijd om de geesten van moslims' speelt zich volgens Kepel ook af op een onverwacht strijdtoneel: niet in het gestagneerde Midden-Oosten, maar in Europa. Dáár komen de extremisten van Al-Qaeda vandaan, maar daar liggen ook de kansen voor nieuw intellectueel en religieus élan onder tweede en derde generaties moslims. Kepel verzet zich tegen cultureel separatisme van moslims en tegen de religieuze annexatie van hun gemeenschappen door fundamentalisten. Hij pleit voor participatie en het `recht op zelfdefinitie' van moslims – zonder hun dwingend die identiteit te willen ontzeggen als voorwaarde voor integratie.

Pyrrusoverwinning

Op dat strijdtoneel-Europa belandt Kepel overigens pas helemaal aan het einde van zijn boek, dat vooral een indringende en gedetailleerde politieke analyse geeft van de situatie in het Midden-Oosten en de Verenigde Staten. Hij fileert de onvermijdelijke mislukking van het Oslo-vredesproces; de opkomst van de neocons in Washington en hun plannen om ten bate van de Amerikaanse – en Israëlische – strategische belangen al lang voor 11 september af te rekenen met Saddam; de wankele dictatuur van het wahabitische Saoedi-Arabië; de carrière van Al-Qaeda's tweede man Al-Zawahiri; en de wrange nasleep van de Irak-oorlog. Zijn analyses zijn vlijmscherp en goed gedocumenteerd. Hij neemt geen blad voor de mond, noemt het argument van massavernietigingswapens `bewuste flauwekul', en vindt dat de oorlog tegen terreur óók na de `Pyrrusoverwinning' op de Talibaan en het verdrijven van Saddam `onsuccesvol is gebleven': de terreur is aangeblazen en Amerika wordt meer gehaat dan ooit in de islamitische wereld.

Dat wil niet zeggen dat Al-Qaeda heeft `gewonnen'. Kepel verdedigt de stelling dat de aanslagen in New York en Washington geen teken waren van de onvermoede kracht en energie van Al-Qaeda en het islamitische terrorisme, maar juist van de nederlaag en de falende strategie van die politiek-religieuze beweging. De `mondiale' jihad die werd gelanceerd tegen de `vijand van buiten', Amerika, was het gevolg van de mislukking van het eigenlijke doel: het omverwerpen van de regimes van de `nabije vijanden', de dictaturen in het Midden-Oosten die volgens islamisten opvolgers zijn van de heidense farao's. De terreur halverwege de jaren negentig, van Algerije tot Egypte, had niet geleid tot mobilisatie van de massa's en opstand tegen de regimes. Uit frustratie en op zoek naar nieuw momentum en rekruten werd de terreurstrategie verlegd naar spectaculaire aanslagen op de vijand overzee: New York, Madrid, Bali. Het doel van Al-Qaeda bleef: de radicale politieke agenda in de Arabische wereld aanjagen.

Kepel staat niet alleen in deze analyse van de fundamentalistische nederlaag en in zijn scepsis over de mobiliserende kracht ervan. Olivier Roy verdedigde dezelfde stelling al in The Failure of Political Islam (1996), zijn bekendste en meest polemische boek. Langzaam beginnen ook Angelsaksische commentatoren die zich pas na 11 september met de islam zijn gaan bezighouden, zoals Francis Fukuyama, de sociale en politieke context van het extremistische `islamisme' beter te begrijpen. Naïef is Kepel al helemaal niet: hij geldt als een van de beste kenners van de politieke islam, zijn stijl is eerder cynisch dan vroom en getuigt van een sterk, zeer Frans gevoel voor machtspolitiek.

Niet de gestagneerde landen van het Midden-Oosten maar de gemeenschappen van moslims in Europa zullen de weg banen naar een nieuwe islam, meent Kepel. Dat maakt de noodzaak van serieus engagement met die nieuwe moslims en de emancipatie van hun intellectuele elite, des te urgenter.

Gilles Kepel: The War For Muslim Minds. Islam and the West. Harvard University Press, 327 blz. €25,30