Een schaduwtheater zonder regisseur

De zesde president van Indonesië legde woensdag de eed af. Het was het hoogtepunt van zes jaar `reformasi', die volgde op de val van potentaat Soeharto. Een biografie over Soeharto en een levendige kroniek van zestig jaar Republik Indonesia geven inzicht in de erfenis die `SBY' meekreeg.

De eerste halve eeuw van zijn bestaan had Indonesië maar twee presidenten; de volgende zes jaar vier. De eerste leider, Soekarno, was een rusteloze, megalomane revolutionair, die gedijde in chaos. De tweede, Soeharto, was een onbewogen, berekenende strateeg, die met harde hand rust en orde afdwong. Na hen kwamen, in snelle opeenvolging, een briljante ingenieur en politieke dilettant; een blinde ziener met serieuze idealen, maar zonder tact of bestuurlijk talent; en, na al die mannen, een moederfiguur met een sterke vaderbinding, gedreven, maar beperkt.

Woensdag legde nummer zes de eed af: generaal b.d. dr. Susilo Bambang Yudhoyono, ook bekend als `de denkende generaal' of `SBY'. Yudhoyono is de eerste gekozen president van Indonesië en hij won die historische verkiezingen met een overweldigende meerderheid. Zijn mandaat is ruim en zijn programma ambitieus: verandering, op zo'n beetje alle fronten.

SBY's rechtstreekse verkiezing was het hoogtepunt van zes jaar reformasi, lees: het opnieuw uitvinden van de staat. Die staat werd geboren in een opstand tegen de Nederlanders, kon alleen teren op een paternalistisch koloniaal erfgoed en werd al snel onderworpen aan de wil van potentaten. De van meet af aan broze instellingen – het parlement, de rechterlijke macht, een vrije pers – werden tijdens veertig jaar autocratisch bestuur louter decorstukken. Het enige instituut dat overleefde en gaandeweg privé-bezit werd, was het presidentschap. Na de val van Soeharto ging die almacht teloor en de andere instellingen hebben hun zelfvertrouwen herwonnen. Ze moeten de komende jaren, in samenspel – en tegenspraak – met een legitiem staatshoofd, Indonesië weer op de been helpen.

Daarbij kan lering worden getrokken uit de fouten van het verleden. Maar historische kennis is niet het sterkste punt van Indonesiërs. In vier decennia dwingelandij werden geschiedschrijvers – op een enkele witte raaf na, zoals Onghokham en Taufiq Abdullah – hofdichters, decorbouwers en doodzwijgers. Jonge Indonesiërs weten verbluffend weinig van het nabije verleden. Maar dat komt wel goed, want hun nieuwsgierigheid is groot en recent werk van binnen- en buitenlandse onderzoekers vindt gretig aftrek.

Breuk

De Australische historicus Robert E. Elson publiceerde in 2001 de eerste kritische biografie van Soeharto en die is nu ook in Nederlandse vertaling beschikbaar. Voordien waren er alleen een hagiografie (O.G. Roeder's The Smiling General, 1969) en een zelfgenoegzame autobiografie (opgetekend door G. Dwipayana en K.H. Ramadhan, 1989).

De levensloop van de Javaanse boerenzoon Soeharto telt vele beslissende momenten, die zijn gehuld in geheimzinnigheid. Wat deed hij in 1948 in Madiun, Oost-Java, toen linkse guerrillatroepen daar de macht overnamen en een breuk veroorzaakten in het nationalistische front tegen de Nederlanders? Sympathiseerde hij met hen en koos hij later de winnende kant? Waarom deed hij, als commandant van de Strategische Reserve, niets toen een oude strijdmakker hem op 30 september 1965 inwijdde in de plannen van enkele linkse officieren om die nacht `rechtse generaals' te ontvoeren? De volgende morgen waren zes generaals dood en was Soeharto zijn voornaamste rivalen kwijt.

Elson brengt controverses als deze in kaart, maar komt niet met onthullingen. Zijn werk berust uitsluitend op geschreven bronnen, dat wil zeggen werk van anderen en archiefstukken. De kans om nog levende getuigen te interviewen heeft hij niet benut. Dat had verrassingen kunnen opleveren en zijn boek levendiger gemaakt. Elsons biografie is een welkom overzicht van elders verspreid voorhanden kennis, maar erg opwindend is het niet.

Dat kan niet worden gezegd van het jongste magnum opus van de Amerikaanse historicus Theodore Friend: Indonesian Destinies. Dit lijvige werk beslaat de hele geschiedenis van de Republiek Indonesië, van 1945 tot 2002; het eindigt in het tweede ambtsjaar van president Megawati Soekarnoputri. Die reikwijdte is tot dusverre ongeëvenaard. Friend schreef een levendige kroniek van ruim een halve eeuw Indonesische lotgevallen. De auteur, Senior Fellow van het eerbiedwaardige, in Philadelphia gevestigde Foreign Policy Research Institute, beperkte zich niet tot archiefstudie. Sinds 1967 heeft hij Indonesië regelmatig bezocht en er een brede kennissenkring opgebouwd. De kracht van het boek ligt in de vele gesprekken die Friend voerde met hoofdrolspelers, getuigen en andere insiders.

Indonesian Destinies behandelt drie tijdperken: dat van Soekarno, Soeharto en de opvolgingsstrijd na Soeharto's val. De drie delen zijn opgebouwd uit korte, verhalende episodes en thematische bespiegelingen. Friend is een enkele keer verslaggever, maar meestal een verzamelaar van getuigenissen. Een grand old man van de Amerikaanse indonesianistiek, Clifford Geertz, geeft op de achterflap dit commentaar: `Het lijkt wel of hij overal is geweest en iedereen persoonlijk heeft gekend'. Friend is ook een sociaal filosoof, die zijn verhaal regelmatig onderbreekt met meditaties over de aard van de macht, de samenleving en de rijk geschakeerde cultuur van Indonesië.

Samenzweringen

Friend blinkt uit in het beschrijven van chaos: de revolutiejaren 1945-'49, de regionale opstanden tegen Jakarta van de jaren vijftig, de mislukte putsch van linkse officieren in de nacht van 30 september op 1 oktober 1965, de daaropvolgende bloedige razernij waarin een groot deel van de Indonesische linkerzijde sneefde en de rellen in Jakarta, in mei 1998, die de val van Soeharto inluidden.

Friend is wars van – in Indonesië welig tierende – samenzweringstheorieën. Die komen hierop neer: achter gara-gara – chaos, onheil – schuilt een dalang, de marionettenspeler van het Javaanse schaduwtheater, die op de achtergrond aan touwtjes trekt. Friend constateert zelden regie. Hij beschouwt sociale explosies als het ongeplande resultaat van machtsstrijd binnen de elite en door menigeen gemanipuleerde volkswoede.

Een van die conspiratietheorieën luidt dat de brandschatting van Chinese winkels en ondernemingen van Soeharto-cronies in mei 1998 werd gedirigeerd door Soeharto's schoonzoon, luitenant-generaal Prabowo Subianto. Hij zou met die rellen de toenmalige stafchef, generaal Wiranto, in diskrediet hebben willen brengen om het commando van de strijdkrachten – en de politieke macht – over te nemen. Friends commentaar in deze is ook van toepassing op andere erupties: `A mega-mess has more explanatory power than a mastermind'.

Hier blijkt de invalshoek van de buitenstaander verhelderend. Indonesiërs – zowel gewone burgers als politici – zijn na een bloedbad eerder gegrepen door de schuldvraag dan door nieuwsgierigheid naar maatschappelijke achtergronden. De Indonesische werkelijkheid beantwoordt vaker aan de chaostheorie – iedereen doet maar wat en de uitkomst is ongewis – dan aan samenzweringstheorieën. Die gaan uit van doelgericht en gecoördineerd handelen en dat is zeldzamer dan rationalisten veronderstellen. Dalangs bestaan, zeker, maar ze zijn nooit alleen en nimmer regisseurs van het hele stuk.

Friends gezonde scepsis over complotdenken en grand theory heeft een keerzijde. `Destinies' kan op twee manieren worden vertaald: `lotsbestemmingen' of `schikgodinnen'. Beide lezingen suggereren lijnen: het historische drama kent een plot of: er zijn krachten aan het werk die Indonesië een bepaalde kant op sturen. Friend koos de titel, maar het is niet duidelijk waarom. Hij trekt weinig lijnen die de lezer van zijn epos onderweg herkenningspunten bieden.

Eruditie

Als hij het wel doet, doet hij het goed. Friend relativeert het jongste schrikbeeld in het Westen: de opkomst van de `jihadisten', een marginale groep Indonesiërs van zeer diverse herkomst, die geweld rechtvaardigen als middel om een islamitische staat te vestigen. Hij herkent in hen een oude, onder Soeharto ondergronds gedreven of uitgeweken minderheidsstroming in de Indonesische revolutie. Die verenigde zich in de jaren vijftig in Darul Islam (Huis van de Islam) en nam de wapens op tegen het centrale gezag.

Friend is een van de weinige Amerikaanse auteurs die onderscheid maken tussen fundamentalisten en jihadisten. Hij erkent ook dat het aantal fundamentalisten in Indonesië niet opweegt tegen de gematigde hoofdstroom, die niets voelt voor een islamitische staat. Friend schrijft over jihadisten: `Maar weinig Indonesiërs denken zo. Zij vormen slechts een mini-splinter van de bevolking, maar ze zijn gevaarlijk omdat ze geloven dat ze de volledige waarheid in pacht hebben.'

Het gemis aan rode draden is niet het enige manco van het boek. Theodore Friend is een belezen wetenschapper, die zijn eruditie met verve etaleert. Hij geeft veel cijfers – vaak te veel – en hij maakt in de loop van zijn relaas menige excursie naar andere vakgebieden. Als hij de effecten van de Aziatische crisis van 1997 voor Indonesië beschrijft, weidt hij pagina's uit over definities van armoede. Friend geeft vrijwel altijd een lijfelijke kenschets van zijn gesprekspartners: knap, onooglijk, lang en charmant, warme bruine ogen, oogwallen als jute zakken, weelderige haardos, kalend. Verder is hij voortdurend zelf aanwezig: als commentator, ondervrager, verliefde man of hulpverlener. Maar wie dit brede panorama waardeert, neemt dat voor lief.

Theodore Friend: Indonesian Destinies. Harvard University Press, 628 blz. €35,77

Robert E. Elson: Soeharto. Een biografie. Uit het Engels vertaald door Richard Kwakkel. Het Spectrum, 565 blz. €29,95