Een mysticus van de intonatie-eenheid

Bij Barend en Van Dorp werd onlangs Deelder-epigoon en Broodbiograaf Bart Chabot opgetrommeld om zijn stem te lenen aan de breedgevoelde afschuw van het intellectualisme waarmee een enkele columniste weigerde te delen in de collectieve adoratie van Andre Hazes. ,,Weet je wat het is?'' zei hij. ,,Die mensen hebben meer hersens dan gevoel.'' Zonder noemenswaardige pauze voegde hij eraan toe, met verwijzing naar deze krant: ,,En weet je wat het nog meer is? Ik schrijf nu al vijftig jaar poëzie en nog nooit heb ik één bespreking gehad in die intellectualistische krant. Maar nu heb ik een bundel met een nawoord van Gerrit Komrij.'' Zo. Die zat.

Chabot referereerde aan zijn onlangs verschenen verzamelbundel Greatest Hits, voorzien van de optimistische ondertitel Volume 1. De lijvige collectie bevat twee gedichten uit 1979, een selectie en bewerking van de gedichten die eerder zijn verschenen in de bundels Popcorn (1981), Captain America (1982), Genadebrood (1993) en Judaskus (1997), alsmede een zo goed als ongewijzigde herdruk van de meer recente bundels De kootjesblues (2000) en Zand erover (2003) en tenslotte de bundel Knekeltaal die hier voor het eerst in druk verschijnt. En inderdaad een nawoord van Gerrit Komrij. Dat is zeker iets om trots op te zijn, al verbaast het mij dat Chabot kennelijk de milde ironie is ontgaan waarmee de voormalige Dichter des Vaderlands zijn loftuitingen kruidt. `Bart Chabot is een mysticus', zo luidt de eerste zin van het nawoord. Je hoeft je maar het voorkomen en het klare Hagenees van Chabot voor de geest te halen om te beseffen dat dit een grap is, en je hoeft niet zo heel veel te weten van de poëzieopvattingen van Komrij om te beseffen dat het uit zijn mond geen onverdeeld compliment zou zijn als hij het wel meende.

Komrij wijst tevens op het theatrale karakter van Chabots poëzie. Hierin heeft hij onmiskenbaar gelijk. Ik heb Chabot een paar keer mogen horen voordragen. Het is eerder cabaret dan poëzievoordracht. Krachtig gesteund door zijn clowneske uiterlijk en sappige Haagse dictie stort hij in adembenemend tempo teksten uit over zijn verbijsterde publiek. Daarmee oogst hij veel succes. Het genot dat je beleeft aan de stille lectuur van deze zelfde teksten op papier is in hoge mate afhankelijk van je vermogen te lezen in het tempo waarin hij declameert en zijn stem in je hoofd te horen terwijl je dat doet.

Een meer afstandelijke, intellectuele analyse van zijn gedichten, die hij zal verwachten, wijst uit dat Chabot zich bedient van een beperkt repertoire aan simpele middelen. Hij is op zijn best in zijn langere gedichten, die niet zozeer gedichten zijn als wel min of meer grappige, onschuldige anekdoten waarin zo goed als altijd de dichter zelf als beminnelijk klunzige hoofdrolspeler wordt opgevoerd. Met gespeelde verbazing registreert hij wat hem nu weer is overkomen en op de beste momenten vermag hij de lezer hiermee een glimlach op het gelaat toveren. Als poëzie is het niks. Ook in zijn beste gedichten komt nauwelijks een regel voor die origineel te noemen is of een beeld dat beklijft. Het is wat het is: een verhaaltje, opgeknipt in hapklare brokjes zin (in de discourse analysis wordt gesproken van intonation units of idea units), die voornamelijk bedoeld lijken om rappe voordracht te vergemakkelijken.

In deze langere gedichten is hij op zijn best omdat hij zichzelf toestaat cabaretier te zijn zonder van zichzelf te eisen ook nog dichter te zijn. Wanneer hij zich beperkt tot de meer traditionele omvang en thematiek van een gedicht, gaat het onmiddellijk mis, zoals in het gedicht `hoe ik de herfst uitstelde': `het was een van de eerste dagen van september / een vrijdag / honderd procent in orde / strakblauwe hemel / niks op af te dingen / deze lucht was voor mij bestemd // tot om een uur of vier / een vloot regenwolken / de boel kwam zieken / - o nee - zei ik - daar komt niets van in - // ik bedacht me geen moment / en pakte een vuilniszak / uit het keukenkastje / liep het balkon op / (schoonmaakwoede; / knappe jongen die mij tegenhield) / trok de zak open / en deed er één voor één / de wolken in // ziezo, dat was dat'. En dat de grappenmaker zich nergens voor schaamt, blijkt uit als aforismen bedoelde flauwiteiten als `grafschrift 4': `ik droomde / dat ik wakker werd'.

Greatest Hits opent met het gedicht `op scheveningen': `we liepen aan zee / mijn vader mijn moeder en ik / zomer 1958 / ik was vier // - de wind / wast / mijn haren / schoon - schijn ik / te hebben gezegd // - godallemachtig - riep mijn vader uit / hij keek mijn moeder aan / - het zal toch geen dichter / wezen, hè? -'. We kunnen de vader met terugwerkende kracht geruststellen.

Bart Chabot: Greatest Hits, Volume 1. Verzamelde gedichten 1954-2004. Nijgh & Van Ditmar, 424 blz. €29,95