De verlichting kwam uit het zuiden

Geheime overnames, prijsoorlogen, stromannen, bedrijfsspionage, het schenden van octrooien, kartels, blufpoker tijdens onderhandelingen. Tegenwoordig is dat allemaal niet of nauwelijks meer mogelijk, maar Anton Philips draaide er aan het begin van de twintigste eeuw zijn hand niet voor om. En ethisch of niet, met deze bonte mix van economische instrumenten maakte hij van Philips binnen veertig jaar een wereldconcern. Geen misselijke prestatie voor een bedrijf dat in 1891 in een oude weverij was begonnen door zijn vijftien jaar oudere broer Gerard, die na enkele omzwervingen bij lampenfabrikanten zelf de productie van `de verlengers van het daglicht' ter hand had genomen.

Anton Philips is al 53 jaar geleden overleden, maar nu pas is een volwassen en gedetailleerde biografie over een van de belangrijkste grondleggers van de Nederlandse industrie verschenen. Niet dat er niet eerder over de bouwer van het Philipsconcern is geschreven. Het elektronicabedrijf heeft door eigen historici een vijfdelig geschiedschrijving laten maken, waarin Anton Philips en zijn broer prominent figureren. Maar de privé-levens van de broers komen daarin maar beperkt aan bod. Verder verscheen in 1956 een biografie over Anton Philips van de socioloog prof. dr. P.J. Bouman, maar dat was volgens critici eerder een hagiografie dan een biografie.

In Ze zullen weten wie ze voor zich hebben. Anton Philips 1874 - 1951 geeft journalist Marcel Metze een rijk geschakeerd beeld van de man die Philips vleugels gaf. Voor Metze, die ruim drie jaar aan de biografie heeft gewerkt en er vorige week op is gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam, is het bedrijf Philips geen onbekende. Hij schreef eerder twee boeken over het concern dat de periode van 1970 tot ruwweg 2000 besloeg. Maar van de persoon Anton Philips had hij, zoals hij eerlijk bekent, nog geen kaas gegeten.

In zijn kloeke biografie schetst Metze Anton Philips als een man met een ongekende drang naar erkenning. En hij wilde geen erkenning van de eerste de beste, maar van de top in het mondiale bedrijfsleven. Philips moest zich in de ogen van Anton gaan meten met reuzen als het Amerikaanse General Electric en het Duitse Osram, tegenwoordig onderdeel van Siemens. En uiteindelijk lukte het om Philips in die liga te manoeuvreren.

Metze beschrijft hoe Anton Philips drie jaar na de oprichting van Philips & Co. met tegenzin bij het familiebedrijf ging werken. Anton kwam over uit Londen waar hij als stagiair kennis had gemaakt met de beleggingswereld, een voortvloeisel van zijn tijd op een handelsschool in Amsterdam. Hij was naar het in zijn ogen provinciale Eindhoven gekomen op uitdrukkelijk verzoek van zijn vader, die geld had gestoken in de door zijn zoon Gerard opgerichte lampenfabriek Philips & Co. Anton moest de commerciële activiteiten van het bedrijf, die achterop waren geraakt, nieuw leven inblazen, Gerard was de ingenieur, die zich met de ontwikkeling en productie van lampen bezighield.

Het gebruik van elektriciteit won eind negentiende eeuw snel terrein en dat functioneerde als aanjager van de economie. Anton voelde dat als geen ander aan en ging met ongeëvenaarde energie aan het werk als handelsreiziger. Aanvankelijk opereerde hij alleen in Nederland, maar al snel werden ook België, Duitsland en Rusland zijn werkterrein. Hij sleepte de ene na de andere order binnen. Vooral Duitse concurrenten begonnen het aanvankelijke Nederlandse dwergje serieus te nemen.

Metze beschrijft uitgebreid en met veel oog voor detail hoe Anton zich begin twintigste eeuw ontpopt van rasverkoper tot zakenman met `guerrilla-achtige trekken'. Toeleveranciers (glasballons voor lampen) lijft hij op sluwe wijze in, hij zet een uitgebreid netwerk van buitenlandse kantoren op om verkoopagenten, die te veel verdienen te omzeilen, binnenlandse concurrenten neemt hij vakkundig over net als buitenlandse lampenfabrieken. Er komt, mede op aandrang van broer Gerard, een natuurkundig laboratorium om technologische voorsprongen op te bouwen, en hij profiteert als geen ander van de Eerste Wereldoorlog door aan landen te leveren die geen zaken met Duitsland willen doen. En tenslotte zet Philips een tweede activiteit neer: de productie van radiolampen. Het blijkt, tussen 1911 en 1931, een voorbeeldige koers te zijn geweest. Philips groeide als kool en maakte superwinsten die soms tot eenderde van de omzet reikten.

Het is ook de periode waarin Philips naar de beurs gaat (1912) en de broers multimiljonair worden, en waarin Philips talloze licenties ontvangt van de Amerikaanse concurrent General Electric in ruil voor een belang van twintig procent in het Nederlandse bedrijf (1916). En het is de tijd waarin oprichter Gerard Philips met pensioen gaat (1922).

Na deze lange bloeiperiode, die de helft van de biografie beslaat en het meest fascinerende deel is, breekt voor Anton Philips en het concern begin jaren dertig een zwarte periode aan. De wereldecononomie verkeert in een diepe crisis na de beurskrach in 1929. Volgens Metze is het een periode waarin Anton Philips `liever zijn ogen wilde sluiten'. Philips telde al veertigduizend werknemers, maar moest duizenden mensen de poort wijzen. Anton liet dat over aan zijn schoonzoon Frans Otten, die in 1931 de tweede man van het concern werd.

De eens energieke Anton verliest in de jaren dertig langzamerhand zijn glans. Niet in de laatste plaats komt dat door de tijdgeest. Anton was volgens Metze opgegroeid in een zeer optimistische en dynamische tijd, doordrenkt met vooruitgangsgeloof. Maar in de jaren dertig pakten de donkere wolken zich samen. In 1936 nam Frans Otten daarom het roer over.

Metze gaat vervolgens uitgebreid in op het wedervaren van Philips tijdens de Tweede Wereldoorlog. Otten bestuurde het bedrijf vanuit New York, en de zoon van Anton, Frits Philips, bleef in Eindhoven achter om daar de zaak waar te nemen. Er barstte tussen het tweetal een conflict uit over de `neutrale gebieden', maar de in Amerika verblijvende Anton bemoeide zich er niet mee. Ook deed Anton niets aan de slechte relatie tussen Otten en de Nederlandse regering te Londen, hoe bemoeizuchtig hij ook in het verleden was geweest. Metze geeft als verklaring dat Anton Philips nu eenmaal geen diplomaat was, en dat contacten met de regering voor hem een te weinig concreet doel hadden. `Als er geen doel was, zat hij stil', schrijft Metze.

Achteraf, concludeert Metze, verrichtte Anton zijn laatste grote strategische daden in 1931. Vervolgens namen de Grote Depressie en de politici het heft in handen op het wereldtoneel en schoof hij een team mensen naar voren dat het concern door de sombere jaren dertig en de ramp van de Tweede Wereldoorlog moest loodsen. Pas in 1947 bemoeit Anton zich toch weer enigszins met Philips. Hij strooit in de jaren daarop wensen en kritische kanttekeningen in het bedrijf rond en lobbyt voor een televisie-standaard, die uiteindelijk een nieuwe pijler onder het concern moet worden. De eerste nationale televisie-uitzending op 2 oktober 1951 maakt hij nog mee, vijf dagen later sterft hij op 78-jarige leeftijd.

Metze blijft met de vraag worstelen waar Anton Philips zijn geldingsdrang vandaan haalde. Anton Philips was volgens hem een zondagskind en is daarmee mager voer voor psychologen. De kernvraag is volgens de biograaf: wie of wat voerde Anton Philips tot grote hoogten? Metze geeft er geen helder antwoord op maar een bezwaar voor zijn boek is dat niet.

Marcel Metze: Ze zullen weten wie ze voor zich hebben. Anton Philips, 1874-1951. Balans, 622 blz, €35,–