De man die de bliksem

René Char bewoog zich in het surrealistisch-communistische Parijs van de jaren dertig, maar was als dichter een plattelandsmodernist uit de Vaucluse, die de gemartelde aarde zag en de humaniteit bezong.

Ik ontmoette René Char voor het eerst op een februaridag in 1997, toen ik tegen sluitingstijd een schemerige Provençaalse boekhandel binnenstapte, waar twee versregels van hem op de muur stonden geschreven. Soms doemen er in ons leven woorden op die dingen over ons weten, terwijl wij niets van hen afwisten, en dit waren van die woorden. Ik kende ze ogenblikkelijk uit mijn hoofd, een van euforische droefgeestigheid tollend hoofd – bepaald ongewoon voor iemand die (flarden daargelaten) hopeloos verslaafd is aan papier. Nadien zat ik op een verwarmd terras achter een bord niertjes, die ik met een karaf wijn wegspoelde, 1nog altijd ondersteboven in mijn herinnering, alsof ik maar niet uit de camera obscura van die winkel wegraak.

Ik ben meer een goudzoeker dan een lezer. Geef mij een mes, formule, sleutel, lucifer, homp brood, iets dat ik in mijn zak kan stoppen om te overleven. Deze Char, makelaar in aforismen, schepper van verzen zo compact als een steen, zou een dichter naar mijn hart blijken; maar voorlopig had ik genoeg aan twee alexandrijnen (of twee keer vier anapesten), die mijn intimiteit zo pijnlijk nauwkeurig definieerden, dat ik ze lange tijd niet van me af kon zetten: ze stalkten me tot in bed.

Pas vier jaar later kocht (of heelde) ik bij een stalletje aan de Seine een gloednieuwe Oeuvres complètes, uitgegeven in de Bibliothèque de la Pléiade, de bijgewerkte, definitieve editie van 2001. De eerste druk dateerde van 1983: Char leefde toen nog. Haast nooit worden dichters bij leven en welzijn in zo'n tombe van de firma Gallimard opgebaard, maar deze dichter was het gezicht van de nationale poëzie, en voorts een intimus van alle groten in de kunsten, alsmede zijn eigen diplomatieke dienst, zoals zijn vijanden beweren, die met zijn hermetische maakwerk de Franse dichtkunst de universiteit in heeft gejaagd, alwaar de literatuurwetenschap stapels hermeneutisch-semiotisch-deconstructivistische studies aan hem wijdt. Niet toevallig schreef dat stuk ademend marmer al in 1957 (in `La bibliothèque est en feu') dat de poëzie zijn dood van hem zou stelen:

La poésie me volera ma mort.

Eh bien. In elk geval is het een sublieme regel.

Ondertussen telt dat Verzameld Werk, omringd door een pretoriaanse lijfwacht van Variantes, Notes, Bibliographie en velerlei Tables, 1.515 pagina's dundruk, die voornaam tussen je vingers knisperen, en overigens heel bruikbaar lijken voor een joint, maar waarin ik pas na uren bladeren het gedicht terugvond met de regels die me zo hadden geëmotioneerd. Het bleek van eind jaren veertig te dateren en `Les Seigneurs de Maussane' te heten, naar de middeleeuwse heersers die Chars geboortestreek hadden onderworpen; hier waren ze een metafoor van de kleinburgerlijkheid en haar niet aflatende pogingen om de liefde in het gareel te dwingen. Maar

Nous avons suivi l'empierrement que notre coeur s'était tracé,

Jusqu'aux plaines de l'air et l'unique silence.

Nous avons fait saigner notre amour exigeant,

Lutter notre bonheur avec chaque caillou.

(We hebben de stenen weg gevolgd die ons hart had afgebakend,/tot aan de open vlakten van de lucht en de ongeëvenaarde stilte./We hebben onze veeleisende liefde laten bloeden,/ons geluk laten vechten met iedere kei.)

In de context veranderde de betekenis enigszins, de liefde vocht met andermans onverdraagzaamheid, terwijl ik de burgeroorlog der geslachten voor ogen had gehad. Evengoed waren die laatste verzen, de verzen die me uit de Provence naar huis gevolgd waren, nog altijd van een deprimerende onvergetelijkheid – of anders werd ik dermate middelbaar, dat la larme facile mijn ogen vochtig maakte.

Nog een paar jaar later kreeg ik een bijzonder boek in handen, René Char en ses poèmes, een corpulente studie (uit 1990) van een vriend van de dichter, de filosoof Paul Veyne. Iedere dichter zou moeten dromen dat er zo'n boek over hem werd geschreven. Veel Héraclite en Heideggèr, erg Frans dus, maar meeslepende lectuur – al ging het meeslepen door de moeilijkheidsgraad nogal langzaam.

Om te beginnen zocht ik in de index `Les Seigneurs de Maussane' op. Het commentaar verwarde me: volgens Veyne ging het helemaal niet over twee geliefden, maar wel over nieuwe gedichten die zichzelf probeerden te worden door niet op de oude te lijken (zo beschouwd moest je `air' misschien met `lied' vertalen). Ik voelde me op een rare manier beetgenomen, alsof ik had gedanst met een transseksueel. O, naar de duivel met die kale Fransen! Wat waren ze toch vermoeiend met hun narcisme, hun slecht verteerde Duitse wijsbegeerte, hun... Maar ze bleven tegen me aan praten.

Nu eerst zijn kop. Char, die zich voor de oorlog in de surrealistisch-communistische cercle bewoog, over schilderkunst schreef en ook zelf weleens naar de kwast greep, was met de halve avant-garde van de jaren dertig bevriend, en vele beroemde schilders hebben werk van hem geïllustreerd, Picasso, Max Ernst, Jean Arp, Braque, Kandinsky en anderen, zijn `substantiële bondgenoten'. De Roemeense surrealist Victor Brauner portretteerde hem meermaals, de eerste keer in 1934. De Char van toen heeft krachtige, zij het droefgeestige trekken, romantische lippen en een kuiltje in zijn kin dat een aanbeveling zou zijn geweest in Hollywood. Het is interessant om deze mooie jongen te vergelijken met de grijsaard die uit hem voort zou spruiten: op een foto van precies een halve eeuw later ziet Char eruit als de eigenaar van een garage toutes marques ergens tegen Marseille, die je iets onverstaanbaars poogt aan te smeren.

Zelfs wanneer de niet-christelijke mysticus Char uit de hoogte van zijn extase spreekt over het `au-delà de la

beauté respirable' (het generzijds van de in te ademen schoonheid), blijft hij een vent met een smoel waar degene die hem een zwendelaar vindt desgewenst op kan timmeren. Maar ook de poëzie zelf is iemand voor Char, iemand die hij al heel jong als een fysieke aanwezigheid ervoer. In een interview uit 1965 vertelt hij daarover: `Toen ik nog een klein kind was, had ik heel reëel het gevoel dat er zich iemand vlak naast me bevond, onzichtbaar, het was niet God... En mijn leven lang verlang ik naar die zo vluchtige en toch zo machtige aanwezigheid...'

Dat kind was geboren in 1907 in L'Isle-sur-(la-)Sorgue, een provinciestadje in de Vaucluse, Provence. Hij groeide op bij de rivier, waarin de bliksem eindigde en waaraan zijn huis begon, eerder een kasteeltje, gelegen in een park. Zijn vader was burgemeester en eigenaar van een gipsbranderij: in die tweede functie placht hij 's avonds met kalk bestoven thuis te komen. Deze patriarch stierf jong, in 1918.

Hoewel dichters uit taal en tijd worden gekweekt, zijn huizen met een mythisch karakter en vaderfiguren waar iets mee is beslist bevorderlijk voor het dichterschap. In de jaren na zijn vaders dood ontdekte de adolescent dat niet-God wel-Poëzie was; en zijn aard maakte dat hij zich haar enkel als zijn geliefde kon voorstellen. O verhitte efebenfantasie, ik ken je, ik mis je! Maar eigenaardig genoeg zou het jeugdige vuur van Char niet uitdoven: hij bleef levenslang vervuld van een jongensachtige toewijding, in artistiek opzicht was hij zo monogaam als een zwaan. Ieder gedicht dat over of tot haar spreekt, is waarlijk een liefdesgedicht, geen theoretische uiteenzetting. Jij bent, zegt hij in `A*** ' (uit 1951), al zoveel jaar mijn liefste, mijn duizeling bij al dat wachten, niets kan maken dat je oud of koud wordt:

Tu es mon amour depuis tant d'années,

Mon vertige devant tant d'attente,

Que rien ne peut vieillir; froidir...

Dat klinkt naar een gelukkig huwelijk van de soort waarover het onhandige platonisme van vooroorlogse hofmakerij een naglans legt. Hoed je voor schrijvers die hun familie ter sprake brengen – maar dat dit gedicht me zo aangrijpt, komt mede doordat mijn vader erin tegen mijn moeder (1919-1995) praat, die al even onbereikbaar nabij is als de poëzie. En tegelijkertijd ruikt het naar zweet, naar bed, naar teder gevecht, naar zintuigen (ik ben trouwens geneigd het de firma Gallimard kwalijk te nemen dat zo'n deel Zevengesternte geurloos is).

Na de dood van Emile Char raakte de gipsfabriek in financiële problemen. In plaats van een universitaire opleiding volgde zijn zoon zonder veel geestdrift een handelsschool in Marseille; hij verkocht intussen whisky en cichorei in de bars aan de havenkant. In 1928 publiceerde hij een bundeltje waarvan hij de oplage grotendeels zou vernietigen. Zijn officiële debuut volgde een jaar later, Arsenal, zesentwintig exemplaren, waarvan hij er één naar de door hem bewonderde Paul Eluard in Parijs stuurde. Ze raakten bevriend. In 1929 vertrok René Char naar Parijs, waar hij vijf jaar zou blijven en de hele zoölogie van de Linkeroever leerde kennen. Ik zou er een lief ding voor geven om dat Parijs van nabij mee te maken, niet de verwelkte ballerina van vandaag, maar de stad waar honderden mensen bereid waren om een vertoning van De pantserkruiser Potemkin staande bij te wonen... Ben ik een dubieuze nostalgicus? Maar wat is een nostalgicus anders dan een historicus die een tijdvak wil kunnen aanraken? Nostalgie is de hartenklop van die minnaar.

Helaas, tijdens het interbellum heerste het surrealisme over Parijs, in theorie een heel geschikte stroming om de droomachtige onwezenlijkheid van dat tijdsgewricht uit te drukken, en leve het grillige en wonderbaarlijke, daar niet van – maar geen mens kan drie werkelijk grote surrealistische gedichten noemen. In hun beste werk begonnen Aragon en Eluard hun vrouwen te verheerlijken, maar toen waren ze al van hun bijgeloof gevallen, dat liever had dat dichters met elkaars echtgenote sliepen. Nee, voor de poëzie als zodanig was het surrealisme een ramp.

De catastrofe diende zich aan in de persoon van André Breton. Deze akelige dogmaticus (die ruzie maakte met René Magritte omdat zijn vrouw een kruisje droeg, zodat de scheuring met het Brusselse surrealisme boven een decolleté tot stand kwam) heeft het Parijse klimaat jarenlang vergiftigd met zijn thesen over kunst en zijn communistische gedram. Anderzijds, dat een provinciaal als Char daar susceptibel voor was, begrijp ik wel. En ach, in 1930 kon Le Surréalisme au service de la révolution nog met Naïviteit dansen op een schitterend volksbal, zonder hinderlijke proletariërs... het irriteert me, maar alles bij elkaar minder dan het me ontroert.

Chars hele ontwikkelingsgang is van een bijna schematische logica. De adolescent maakte zich los van het katholicisme; in de dominante kunststroming vond hij een surrogaat, waarbij elementen als het fantastische en de automatische schriftuur een zekere verwantschap vertoonden met de extatisch-mystieke geestesgesteldheid die hem van nature vertrouwd was. Uiteindelijk zou hij rijpen tot een kosmisch humanisme, als die term iets oproept, een soort religieuze ongelovigheid, waarin poëzie en schoonheid als vanzelf ook ethische begrippen waren.

Van het uitgedoofde vuurwerk van het surrealisme valt in zijn gedichten amper een spoor aan te wijzen, hooguit wat natte as. Char is in zijn woorden en metaforen eerder een plattelandsmodernist, die de gemartelde aarde ziet, die de humaniteit bezingt, ook lang voor zijn ervaringen in de maquis – bijvoorbeeld in de conclusie van `Robustes météores' (uit Arsenal):

Les hommes ont faim

De viandes secrètes d'outils cruels

Levez-vous bêtes à égorger

A gagner le soleil.

(In de vertaling van C.P. Heering-Moorman, die in 1974 bij Meulenhoff een bloemlezing uit Chars werk publiceerde Samen aanwezig, klinkt dat als volgt: `De mensen hongeren/Naar allerlei verborgen vlees, naar wrede instrumenten,/Staat op dan, beesten die geslacht zult worden,/Om tot de zon te gaan.')

Over die raadselachtige titel dit. Een meteoor is een langzame bliksem, en de foudre of éclair, de lichtflits die de duisternis openrijt, is bij Char een terugkerend symbool van het dichterlijk visioen en de poëtische concentratie. Ik lees het zo, dat de dieren maar in opstand moeten komen, dat ze een soort openbaring van vlees en bloed moeten worden, dat ze... Merde, wat een potsierlijke bezigheid is dat gedichten exegetiseren toch! Verklaar ik hier niet de Vaucluse aan Vauclusenaren?

Omstreeks 1935 maakte Char zich uit de omhelzing van de surrealistische beweging los. Hij keerde, een gehuwd man inmiddels, naar zijn provincie terug en bemoeide zich een jaar of wat met het familiegips. Toen werd het 1939 en zeeg de Franse republiek krakend ineen.

`Staat op dan, beesten die geslacht zult worden...' Maarschalk Pétain wilde met grijs spelen, maar die kleur bestond niet; aan de andere kant van het schaakbord zat generaal De Gaulle. Op het bord: Char, bepaald niet wereldvreemd, strijdend als de partizaan Alexandre. Onder dat pseudoniem zou hij definitief worden wie hij was, een dichter voor wie woorden niet vrijblijvend waren en die voldoende gebrek had geleden om gierig met ze om te springen. Hierbij de twee laatste kogels van een rationeel en hartstochtelijk soldaat in vijandig gebied:

Présent crénelé...

Dat is het hele vers, nummer 23 uit Feuillets d'Hypnos, een verzameling prozagedichten die dateert van 1943/'44. Je kunt het vertalen als `Heden met kantelen', maar ook als `Cadeau met tanden' – vandaag is een geschenk met een bek als een zaag, heden regent het pijlen en kokend pek.

Is 23 overigens wel een gedicht? Of een aforisme? Een spreuk?

Dit is een ongelukkige plaats om mijn afkeer van zoiets Frans als proza-poëzie te belijden, want mijn onderwerp heeft menig vers-zonder-rafels-of-witregels geschreven. Het genre ergert me, omdat papierverkwisting in mijn ogen en oren bij poëzie hoort, als stilte bij het spreken. Maar omdat ik nu eenmaal van hem houd, probeer ik de proza-poëtische Char maar te lezen als een filosoof met een aantrekkelijke woordenschat, denkend ongeveer daar waar Nietzsche in lyriek begint uit te barsten (zelf wilde hij absoluut geen filosoof zijn, maar daar kom ik nog wel op terug). Wie ben ik trouwens om niet onder de indruk te raken van de 138ste notitie uit diezelfde Bladen van Hypnos, over de executie door de SS van de jonge dichter Roger Bernard, op een dag met tanden in de zomer van 1944?

Horrible journée! J'ai assisté, distant de quelque cent mètres, à l'exécution de B. Je n'avais qu'à presser la détente du fusil-mitrailleur et il pouvait être sauvé ! (..) Je n'ai pas donné le signal parce que ce village devait être épargné à tout prix. (..)

(`Afgrijselijke dag! Op ongeveer honderd meter afstand heb ik de executie van B. bijgewoond. Ik hoefde maar de trekker van de mitrailleur over te halen en hij had gered kunnen worden! (...) Ik heb het teken niet gegeven omdat dit dorp tot elke prijs gespaard moest blijven.')

Zelden heb ik sterker gevoeld dat het er helemaal niet toe deed of het beschrevene al dan niet precies zo gebeurd was, of Char werkelijk had kunnen schieten – want onmiddellijk drong zich een erg rare en beschamende associatie op, die ik nauwelijks durf op te biechten, met het werk van A.A. Milne namelijk... Poeh heeft een lied gecomponeerd over een heldendaad van Knorretje, maar de protagonist twijfelt aan het waarheidsgehalte: `,,WeIl,'' said Pooh, ,,you did it, Piglet, because the poetry says you did. And that's how people know.'''

De Trein Grote Vaart brengt me als de bliksem van Parijs naar Avignon, in 150 minuten om precies te zijn, en terwijl Frankrijk zijn herfstcollectie uitstalt en de kilometers onder me afbrokkelen, denk ik aan Char, die jarenlang tussen kosmopolitisme en provincialisme, tussen salon en mas heen en weer heeft gespoord, maar dan heel wat langzamer – pas in 1978 trok hij zich voorgoed in zijn landhuis terug, even buiten zijn geboorteplaats, omringd door golvende weidsheid en de synesthesie van blauwpaars zoemende lavendelgeuren (al was het ook wel eens winter).

Wat deed de naoorlogse René Char zoal, behalve gedichten schrijven?

Scheiden (1948). Martin Heidegger leren kennen (1955). Samen met Picasso tegen de Gallisch-gaullistische onzin van een lanceerbasis voor atoomraketten in de Haute-Provence protesteren (1965). Ezra Pound in een brief aan de essayist André Velter `die hatelijke Amerikaanse nazi-dichter' noemen (1986). Trouwen met zijn vriendin Marie-Claude de Saint-Seine (1987). Aan een hartaanval sterven (1988).

Omdat ik de jaarlijkse gangbang van Marianne nogal weerzinwekkend vind, reis ik in november, nu ze in de Provence een grijze japon heeft aangetrokken. Een taxi voert me oostwaarts, door het landschap van de Prometheus die hier het hemelvuur stal – terwijl de komische monoloog op de radio, waar een publiek om brult van de lach, zich aldoor op me stort, als een waterval waarvan ik uitsluitend begrijp dat hij uit H2O bestaat. En ik, dove Batavier, dweep met een moeilijke Franse dichter?

Maar L'Isle-sur-la-Sorgue (Char liet het lidwoord weg) is een allerliefst stadje, waar een paar duizend residenten hun winterslaap plegen te houden – en ik heb er een klinkend adres, het Hotel du Poète. In de vroege avond leidt een ingetogen verkeersader, de met platanen omzoomde boulevard René Char, mijn voeten naar de oever van de rivier, die via een stelsel van bassins in een dubbele lus om de Middeleeuwen heen is gevlijd, als een ingewikkelde proeve van zilversmeedwerk om de hals van een oude freule. De achterzijde van mijn plattegrondje roemt de antiekwinkels en galeries, vallen voor het muizenras dat toerist heet.

Ergens, in de zandstenen ingewanden bestel ik een onbekend woord, dat een kwaad terugkijkende vis wordt, opgediend door een echte kelner, nog uit het zwart-witte feuilleton der Europeesheid. Bij wijze van dessert lees ik wat in Veyne, die vertelt dat de anti-katholiek Char 's nachts mediteerde, in het inwendige Ginds afdaalde (of opsteeg), om zo de extase te activeren die zijn poëzie voedde – mij, gourmand, sigarenroker, realist, is het allemaal een beetje vreemd, maar ik realiseer me ineens wel hoeveel rijsjes bij Char aan onze oude semantische stronk zijn ontsproten, `terre céleste' (hemelse aarde), `eaux vives' (levend water)... O zieltogend christendom, hoe moet het nu verder met je woordenschat? Voor het geslacht van Google ben je kleitablet, potscherf, Lineair A.

En dan is er, in novemberochtendlicht, het Maison René Char, een imposant blok achttiende eeuw aan de Sorgue, dat wel, maar niet zijn geboortehuis, want dat is indertijd door een oudere broer aan een projectontwikkelaar verkocht die het park heeft verkaveld. Een vals huis dus – hoewel je als dichter sowieso alleen maar in je kunst kan wonen, zoals men weet, of subtieler geformuleerd: in een sleutel. `Une clé sera ma demeure' staat er dan ook op een bord naast het smeedijzeren hek met de vele krullen, een regel uit `Effacement du peuplier' (De uitgewiste populier); en ik snap waarlijk niet waarom zoveel ontwikkelde mensen hun schouders zouden ophalen als ik beweerde dat gedichten zoiets waren als sleutels zonder huis erbij, alsof dat niet vanzelf spreekt. `Welk deel van clé begrijp je niet?' zou ik willen vragen.

Op de binnenplaats vermengt het geklater van een classicistische fontein zich met het rococo van de duiven; en in een glazen deur verschijnt een kalende heer van een jaar of veertig, die zich voorstelt als Roland Aujard-Catot. Hij behoort tot het mediterrane type dat zich dagelijks in olijfolie baadt en zijn familie heeft zich in de loop van tachtig generaties opgewerkt van legioensoldaat tot chargé du développement culturel. Aangezien hij nu eenmaal met zoiets zwaarwichtigs als het cultuurbeleid van dit provincienest is belast, torst hij zijn idiote titel geduldig.

,,Nee, Char heeft nooit in dit huis gewoond'', zegt hij. ,,Maar een dichter moet sporen van zijn doortocht achterlaten, zoals hij zelf zei, geen bewijzen. Alleen sporen laten zijn lezers dromen.''

Dat heeft hij nu wel keurig uit het hoofd geleerd, maar aan de passage van de dichter kleeft naar zijn smaak toch te veel Parijs: ,,Het is geen dichter die de streek beschrijft waar hij zijn wortels heeft.'' Hij zegt het met oprechte spijt in zijn stem, alsof hij Char met terugwerkende kracht nog wat cultureel zou willen ontwikkelen, maar eigenlijk bedoelt hij dat Char van hem een tikje folkloristischer had gekund en iets minder ondoorgrondelijk. Hoe dan ook is zijn bewering eenvoudig te weerleggen, met al die bergen en bomen en bliksems, en het vijftig meter verderop meanderende water heeft zelfs een eigen vers gekregen; maar mijn Frans is nog niet wakker genoeg om dit alles bevredigend uit te drukken.

En dus beperken we ons tot de eeuwig terugkerende attributen en parafernalia van het schrijverschap, tot Chars stoel, bureau, inktpot, manuscripten, allemaal tentoongesteld in een witte, heel erg onbewoonde kamer, waar zijn strohoed aan een kapstok hangt, een gedecideerd teken van zijn worteling alhier... Er hangt ook een Emile Char van olieverf, op wiens borst de slang van een horloge ontspringt, dat in zijn onzichtbare vestzak een tijdstip begin vorige eeuw aangeeft. (Jammer genoeg bezit het museum geen schilderwerk van de hand van Char zelf.)

Roland met de dubbele naam permitteert dat ik me even aan het bureau zet om deze dingen te noteren, bij het schijnsel van het soort hobbylamp dat knielen kan als een kameel, volgens Marsman. Onder de glasplaat die het blad bedekt liggen autografen – en nu is Brodsky er ook opeens, hij staat over mijn schouder te denken dat alleen een voorwerp het oneindige intiem kan maken, en dat ook een gedicht een voorwerp is. Zo denkt hij het niet precies, en ik moet niet uit mijn hoofd citeren (mijn joint is dundrukpapier puur); maar het is hoe dan ook zeer Brodskyaans.

In zijn kantoor krijg ik de catalogus van een tentoonstelling van de alliés substantiels, Picasso en de rest, wier met Char verbonden werken tot twee maanden geleden in het museum hingen. Mooi boek. Plaatselijk uitgegeven. Marianne zorgt goed voor haar dichters.

,,Dood zijn als dichter in Frankrijk lijkt me wel wat'', zeg ik.

,,Pardon?'' Ik ben best bereid om aan mijn eigen verstand te twijfelen, maar ik hoor in zijn stem, van ontzaglijk ver weg, de oeroude vrees voor de barbaren uit het verschrikkelijke noorden, die ooit in de legioenen moet hebben rondgewaard en waaraan de herinnering nu samen met andere voorouderlijke indrukken ergens in zijn hypothalamus ligt opgeslagen.

Boven de zinken tapkast van het Café de France (1903) brengt een man in stofjas een monoloog over Irak, gericht tot een vrouw die sms-berichten zit te formuleren. Hij heeft een accent dat associaties wekt met neusspray. Maar dat had Char ook.

Er hangt een foto van Frédéric Mistral, die in het Occitaans dichtte, een van de talen die deze verlichte republiek met weergaloze efficiëntie heeft uitgeroeid; ik heb er nog nooit iemand een woord in horen zeggen, al was het maar oc.

Geen Char. Geen Heidegger.

En toch hebben die twee hier menigmaal gezeten, aan net zo'n oertafeltje van marmer en gietijzer, op dezelfde oerstoelen van beukenhout, in een nevel van Gauloise schwärmend met het presocratische denken. En dit oercafé is niet alleen gevuld met voorwerpen uit de periode 1903-2003, zoals de archeologische ijskast, maar ook met de ongrijpbare substantie van gestorven tijd. Met een zeer verfijnd instrument zou je dat Freiburgse c.q. nasale Frans nog kunnen opvangen; en er is geen reden om aan te nemen dat hun er-geweest-zijn minder tot de atmosfeer van dit café behoort dan de voetbalsjaals achter le zinc. Je kunt trouwens niet in de twintigste eeuw rondwandelen of je komt Heidegger tegen. Maar zoals we weten had hij zelf een nogal verknipte verhouding met die eeuw.

En Char? Heidegger was zijn objectieve vijand geweest; maar hij vertrouwde op het oordeel van hun gemeenschappelijke Parijse vriend, de filosoof Jean Beaufret, die de mythe creëerde van de naïef collaborerende Heidegger, alsof hij soms geen opportunist was die zijn eigen leermeester had verraden: `Het is de jood Husserl die voor wanorde zorgt in de bibliotheek van ons instituut.' En dus regelde Char dat het verschijnsel eind jaren zestig kwam doceren aan de zomeruniversiteit van Le Thor, aan de voet van de Mont Ventoux – Heidegger liep toen al tegen de tachtig.

Een wonderlijk vriendenpaar, dat in dit Café de France de naoorlogse Frans-Duitse verhoudingen kwam naspelen, alsof er parallel aan de as Parijs-Bonn ook een as Vaucluse-Hochschwarzwald moest komen, een as van de geest. Of kletsten ze maar wat?

In 1984 (acht jaar na Heideggers dood) zei Char dit tegen Veyne: `Ik heb niks te maken met de filosofie van Heidegger. Ik ben een dichter, geen filosoof in verzen. Heidegger was een aimabele man, die het mogelijk maakte dat onze verhouding aangenaam bleef, zelfs toen we alles hadden gezegd wat we tegen elkaar te zeggen hadden.' Nu goed, hij deelde Heideggers liefde voor de presocratische denkers, en toegegeven, over de tijd toen het Zijn in het zonlicht van Hellas baadde, kon de oude heer nog zonder bril vertellen...

Bij de interpretatie van het fenomeen Char helpt het als je weet dat hij behalve een estheet, mysticus, plattelander en rive-gauchist ook een doodgewone Middellandse macho was, trots en een tikje dom. Het irriteerde hem vreselijk dat sommigen hem voor een heideggeriaan hielden (hij prefereerde sowieso charrianen boven heideggerianen). Maar de waarheid is dat er wel degelijk iets en niet niets tussen hen was.

In zekere zin grensden ze aan elkaar, zoals hun vaderlanden. Zo tenderen de prozagedichten van de niet-filosoof naar wijsbegeerte, waar Heidegger van zijn kant Hölderlin poogt na te bootsen in zijn proza. Zo vreesde Char de vooruitgangsoptimisten, zelfs wanneer ze cadeautjes kwamen brengen – Heidegger beschouwde de technologische samenleving dan weer eenvoudigweg (of ingewikkeldweg) als een fatale figuur van het historische. Over hun provincialisme en de neiging om op hun knieën te vallen voor het natuurschoon valt nog een heleboel te zeggen, wat ik hier niet zal doen; maar ik zou wel een idioot zijn als ik hun pessimisme niet begreep. `Nur ein Gott kann uns retten' zijn beroemde woorden van het Teutoonse orakel; en in `Contrevenir' (Overtreden), een prozagedicht uit 1957, zegt Char:

Obéissez à vos porcs qui existent. Je me

soumets à mes dieux qui

n'existent pas.

(Gehoorzaam maar aan jullie varkens die bestaan. Ik onderwerp me aan mijn goden die niet bestaan.)

Overigens collectioneerde Char grote namen, zoals een ander oude meesters of dure auto's. En hij liet zich met plezier een beetje adoreren door Heidegger, de denker die meende dat dichters de enigen waren die licht brachten in de Zijnsverduistering der moderniteit. Char was niet vies van wat pathos: ook hij schonk de tijd steevast een hoofdletter, Temps.

In een tamelijk huilerig stuk poëzie-proza, `Gedachtes für René Char' (uit 1971), omschrijft Heidegger de productie van de dichter als `reddende tekens'. Dat is in de trant van Heraclitus de Efesiër, die zei dat de Meester van het orakel in Delphi ontsluierde noch verborg: hij gaf een teken, en daar moesten de raadzoekenden het mee doen. Die tekens zijn bij Char eilanden in een zee, stukken van een vergruizeld gedicht, lichtflitsen van een rondzwervend onweer – al deze metaforen zijn van hemzelf, ik geef ze maar door. En het lospeuteren van deze tekens bij de goden of het Zijn (naar keuze) geschiedt in een eindeloze fractie Tijds:

L'éclair me dure.

Dit schrijft hij in `La bibliothèque est en feu': dat de bliksem hem lang valt. Wat een gouden regel, ja, gloeiend stuk vers, brandend charranisme! Dichten als de angstdroom dat je langzaam leeft, à la Vasalis? Een millennium later staat dat wel reusachtig ver van onze eigen gezellige Linkerslootkant af.

Die reddende tekens, intussen, doen me aan Paul Celan denken, Chars joodse `dichter-broeder', die hem in het Duits zou helpen vertalen en met wie hij naast een naoorlogse existentie ook veel gemeen had in poëtisch opzicht. Celan bezocht Heidegger in de zomer van 1967 in zijn hut in het Zwarte Woud, en hij wilde maar één ding van hem – een verlossend woord, iets wat zijn gedrag in de wereld van gisteren zou verklaren, toen die mensgod het Deutschtum kwam redden... Maar Heidegger liet niet blijken of hij überhaupt begreep waar Celan voor kwam.

Jedem das Wort.

Jedem das Wort, das ihm sang,

had Celan twaalf jaar eerder in `Argumentum e silentio' geschreven. Voor ieder het woord dat hem toezong (of: voor ieder het woord dat zichzelf op een briefje gaf). Jedem das Seine was het motto van Buchenwald. Ook Heideggers stilzwijgen was een woord, of een argument. Het past geloof ik wel in de ideeën die ik hier ontvouw, dat het gedicht is opgedragen aan René Char.

Aan het andere uiteinde van de as Char-Heidegger maakte de bejaarde denker graag uitstapjes, bijvoorbeeld naar de paars-blauw-violette geometrie van de Mont Saint-Victoire, het door Cézanne vereeuwigde (of juist vertijdelijkte) natuurwonder, om daar onzin uit te kraaien over de dichter en zijn landstreek, zoals dat `in zijn spreken en in zijn gebaren en op de plaats waar hij woonde het oude Griekenland nog eenmaal herleefde'. En had zijn oude held Hölderlin niet in deze Provence rondgezworven? (Wie dat wil kan het allemaal nalezen in de biografie van Safranski. Heidegger demonstreerde trouwens een merkwaardige voorkeur voor dragers van de letter H, alsof hij fataal gepredisponeerd was om in Hitler te geloven, die zijn alfabetische schaduw achterwaarts in de geschiedenis scheen te werpen.)

Char liet het zich allemaal gewillig aanleunen, een rotsblok van rust in dit ondermaanse. Maar het enige wat klopte, was de overtuiging `in zijn spreken' dat de nobele pessimist Heraclitus gelijk had. Geluk was het mensenrecht der geheugenlozen; het geslacht dat de tragedie vergat, zou zichzelf in het verderf storten. Dit zegt hij in Feuillets d'Hypnos (88):

Comment m'entendez-vous? Je parle de si loin...

(Hoe kunnen jullie me horen? Ik spreek van zo ver weg...)

De stofjas, gehuld in een twintigste-eeuwse rookwolk, zit inmiddels eenzaam op Irak en Chirac te drinken. De vrouw met het telefoontje loopt naar de jukebox en duwt op enkele knoppen; het honderdjarige Café de France begint te trillen. Maar ik hoor hem uitstekend.

Op de terugweg bezoek ik mijn Parijse vriend, de dichter Jacques Darras, auteur van de wonderbaarlijke bundel Moi, j'aime la Belgique! Deze hartelijke Bourgondische reus is een mosseleter, Spilliaert-bewonderaar, Verhaeren-lezer en liefhebber van noordelijke steden, waar een vage frietlucht zich met katholieke fantasma's over de vrouw verbindt. Omdat er bij hem thuis instortingsgevaar dreigt, doordat stapels boeken er in cascadevorm naar het plafond reiken, nodigt hij me uit voor een lunch buitenshuis. Het wordt zeetong op een somptueus doodsbed, besprenkeld met een voortreffelijke droge moezelwijn. Ook leven als dichter in Frankrijk is wel leuk.

Maar hij kijkt oprecht bedroefd wanneer hij verneemt dat ik van een bezoek aan Char terugkom – ook al heb ik dan van zijn mas weinig meer gezien dan struikgewas en tussen de blaren schemerend oker, want de weduwe houdt niet van pottenkijkers en bewaakt het erfgoed als een Cerberus.

,,Maar lieve vriend! Char is een en al pompeuze pose! Wij Fransen begrijpen er zelf vaak geen woord van. Die poëzie is zo koud als marmer... een afschuwelijke mediterrane verstening is het.''

,,Ik hou wel van marmer in de zon.'' Niet te polemisch – hij trakteert!

,,Char is het dichterlijk equivalent van generaal de Gaulle. Snap je wat ik bedoel?''

Natuurlijk. Oc. Van alle dichters die ik bemin is Char zonder enige twijfel de onuitstaanbaarste.

,,Ik vind zijn aforismen beter dan de Gaulle.''

,,Content de peu, le pollen des aulnes, met weinig tevreden, het stuifmeel der elzen...'' Hij citeert het voor de vuist weg. ,,Peu tegenover pollen, wat van het Grieks voor veel komt, want alles moest presocratisch verantwoord zijn bij hem. Knap bedacht, maar dood.''

Overigens kent hij André Velter en is hij niet te beroerd om een ontmoeting met madame Char te regelen; maar dat voorstel sla ik af. Ik heb geen zin in la veuve. Ik vind schrijversweduwen een moeilijke ondersoort van de literaire species; ik hoop de mijne ook nooit te ontmoeten.

Heeft Jacques het bij het rechte eind? vraag ik de volgende morgen aan het landschap van Picardië. Is Char werkelijk marmer, gaullisme, zielloze retoriek – ben ik in de val van die Franse semiotiek getrapt? Overschat ik mijn inzicht in dat duister? Ik blader in de Oeuvres complètes, tot mijn oog valt op `Cours des argiles', een in alexandrijnen geschreven gedicht uit 1968, een jaar waarin Marianne wel iets anders aan haar hoofd had dan haar zestiende- eeuwse tafelmanieren, zou je zo zeggen.

Loop van het leem? Dat woord heeft normaal geen meervoud, maar misschien dacht Char aan Celans Niemand knetet uns wieder aus Erde und Lehm; en in dat geval bedoelt hij uit leem geboetseerden, mensen dus. Die mensen zien hoe de aarde hen opjaagt, en hoe een god op hun smeekbede om levend water zich slechts verheft om hun dorst nog erger te maken. `Maar verheug je vanaf dat ogenblik, mijn lief, op wat nog te gebeuren staat, want deze dood sluit niet de gedachtenis der liefde, niet het liefdevolle geheugen af:

Dès lors réjouis-toi, chère, au destin suivant:

Cette mort ne clôt pas la mémoire amoureuse.

Daarmee eindigt het, als een diepzinnige smartlap, die alle bezwaren tegen zijn maker van tafel veegt – met la mémoire amoureuse, een zo voor de hand liggende definitie van poëzie, dat niemand van het narcistische mensdom haar eerder had opgeraapt.