Beethoven in de harem

Op een megatentoonstelling in Brussel wordt Turkije als de bakermat van de westerse beschaving neergezet. Met de vrouw als constante, machtige figuur.

Adams Eva, de maagd Maria en de godin Venus zijn Turks. Nee, het is geen grap, het is waar. De drie aartsvrouwen van de westerse beschaving komen net als de blinde bard Homerus uit het land dat sinds de revolutie van Kemal Atatürk in 1923 Turkije heet, maar in de loop der millennia voortdurend van identiteit is veranderd. Voor ingewijden is het natuurlijk oud nieuws. Maar in het jaar waarin Turkije alles doet om tot de Europese Unie toegelaten te worden is het toch een belangrijke constatering, die erop wijst dat Turkije en Europa wel degelijk een gedeelde geschiedenis hebben. Voeg daaraan toe dat op Turkse bodem het christendom vanaf de vierde eeuw tot aan de val van Constantinopel in 1453 de staatsgodsdienst was en dan mag je er ook nog eens meer dan duizend jaar gedeelde christelijke waarden aan toevoegen. En om die waarden lijkt het bij het vaststellen van de geschiktheid van een land voor een EU-lidmaatschap volgens premier Balkenende tegenwoordig toch vooral te draaien.

De tentoonstelling Moeders, godinnen en sultanes. Vrouwen in Turkije van de prehistorie tot het einde van het Ottomaanse Rijk zou je daarom een geheim onderdeel van het Turkse diplomatieke offensief in Brussel kunnen noemen. Want in het Paleis voor Schone Kunsten wordt tot begin 2005 op overdadige en imponerende wijze die innige verwantschap tussen Europa en Turkije aangetoond. De hele westerse beschavingsgeschiedenis komt eraan te pas, van de prehistorie via de klassieke Oudheid tot in het moderne Turkije van Atatürk. In die ontwikkeling ligt bovendien de nadruk op de invloedrijke rol van de vrouw. Zíj is er de grote heldin. Je zou er bijna door vergeten dat het Turkse parlement onlangs bijna een wet aannam die overspel door vrouwen strafbaar wilde stellen.

De Turkse verworvenheden beginnen in het prehistorische Anatolië van de Nieuwe Steentijd, 9000 jaar v.Chr. De vrouw werd er vereerd als de bron van het leven en het middelpunt van de familie. Op rotsschilderingen, gevonden op de Latmosberg, staat ze afgebeeld als een gezichtsloos dansend poppetje met brede heupen, die haar vruchtbaarheid benadrukken. Ook bij de vrouwen- en godinnenbeeldjes uit die tijd – met en zonder kind – ligt de nadruk op het moederschap: grote vagina's, reusachtige borsten, billen en buiken, alles ter ere van het baren van nieuwe jagers, boeren en krijgers. Ondanks hun primitieve vormen stralen ze ook een gezellige en uitnodigende sensualiteit uit. Het heeft iets vreemds, omdat zwangerschap toen alleen gezien werd als een goddelijke ingreep en niet als het gevolg van ordinaire lust.

Bij de Hettieten – een met veel mysterie omgeven volk dat tussen 1700 en 1200 v.Chr. een machtig koninkrijk op Anatolische bodem bestierde – komen vrouwen er nog beter vanaf. Ze hadden er dezelfde rechten als mannen, tot de koninginnen aan toe. In Brussel blijkt dat vooral uit de zegels met vrouwenafbeeldingen die de vorstinnen aan hun decreten hechtten, en uit de kleitabletten die alleen al imponeren door hun compacte vorm, zoals een compleet wetboek van 26 bij 21 centimeter. En dan is er ook nog een stèle van een echtpaar, waarvan de man en de vrouw een arm om elkaars schouders hebben geslagen. De gelijkwaardigheid der geslachten wint het hier met bootlengtes van de twintigste-eeuwse vrouwenemancipatie.

In de hellenistische periode verging het de Anatolische vrouwen nog veel beter. Uit de elegante beeldjes van klassieke coryfeeën als de dichteres Sappho, de godinnen Cybele, Hecate, Artemis en Aphrodite, en de machtige koningin Ada, kun je opmaken dat behalve Griekenland ook Anatolië een bakermat van de westerse beschaving is en dat op die Anatolische mat, anders dan in de Griekse mannenmaatschappij, de vrouw – vooral in haar goddelijke verschijningsvormen – een grote rol speelt.

Maar zelfs die tijd haalt het niet bij het hoogtepunt van vrouwenmacht: het Byzantijnse Rijk, ontstaan in 324, toen de Romeinse keizer Constantijn om strategische redenen het politieke en militaire centrum van zijn imperium naar het oosten verplaatste en Constantinopel stichtte. In dit Oost-Romeinse Rijk werden vrouwen belangrijker en invloedrijker dan waar en wanneer ook eerder in de geschiedenis. Soms hadden ze meer aanzien dan mannen, zoals blijkt uit de levensloop van invloedrijke keizerinnen als Theodora en Zoë, die als goden vereerd werden, of uit het reliëf van de rechtvaardige god en godin Hosios en Dikaia. Niet de god maar de godin houdt hierop de weegschaal in haar hand. Zij is degene die wikt en beschikt.

Heilige vrouwen waren in Byzantium de idolen van iedereen. Niet voor niets is de Maagd Maria er een intelligente, gezagsvolle vrouw die alleen al op grond van haar verschijning respect afdwingt. De tiende-eeuwse ikoon van de Heilige Evdokia met wapperende handjes en krachtige kop is met zijn marmeren achtergrond en rood- en groenstenen versiering zelfs een van de meest opbeurende heiligenbeelden die er bestaan.

En dan is er ook nog de sluier, die in Byzantium voor het eerst opduikt als kledingstuk voor vrouwen uit de betere kringen. De sluier als christelijke traditie dus, die door de islam is overgenomen.

Vloeiend

Steeds meer raak je op deze tentoonstelling doordrongen van het besef dat de geschiedenis een grote vloeiende beweging is, waarin oost en west, polytheïsme, christendom en islam, Grieken, Romeinen en Turken voortdurend in elkaar overlopen. Misschien is dat er wel de oorzaak van dat tegen het jaar 1000 onder invloed van de westerse Middeleeuwen de positie van de vrouw in Anatolië in haar nadeel verandert en het zwaartepunt van de vrouwenmacht meer en meer binnen het gezin en het huis komt te liggen. Vrouwen zijn er nog `slechts' voor het baren van kinderen, en dat lijkt geen enkel respect meer af te dwingen. Publieke macht oefent een enkele vrouw hoogstens nog achter de schermen uit.

Gelukkig is er ineens een nieuw lichtpunt, de oosterse dertiende eeuw, waarin voor het eerst Turkse stammen in Anatolië opduiken en Osman Bey het Ottomaanse Rijk sticht dat tot in de twintigste eeuw zal blijven bestaan. De kunst ondergaat nu een langzame metamorfose, waarin zelfs de gezichten van Adam, Eva, Maria en Jezus Mongoolse trekken krijgen. Het zegt veel over zowel de vrijheid waarop christenen in het Ottomaanse Rijk hun religie mochten uitoefenen als over de onafgebroken kruisbestuiving tussen die twee culturen. En juist door die interactie in het oosten vergeet je bijna dat zich vanaf de veertiende eeuw een paar honderd kilometer westwaarts de Renaissance voltrok en Petrarca op de Mont Ventoux aan zijn sonnetten en liefdesbrieven zat te sleutelen.

De wederzijdse beïnvloeding tussen beide werelden werd alleen maar groter toen de Ottomanen in de veertiende eeuw hun geluk gingen beproeven op de andere oever van de Bosporus. Servië, Bosnië, Herzegovina werden veroverd, in de zestiende eeuw volgde Hongarije en in 1683 bijna ook Oostenrijk. De Turken bestormden Wenen maar werden verslagen bij de Kahlenberg. In al die landen wemelt het nog steeds van de Turkse invloeden, zoals de Turken zich omgekeerd ook door het westen hebben laten inspireren. Niet voor niets wordt in de romans van Europese schrijvers als de Bosniër Ivo Andric en de Albanees Ismail Kadare de wereld van de Turkse overheersing van de Balkan beschreven als een eigenaardige combinatie van humanistische beschaving en paranoïde dictatuur.

In het hele Ottomaanse Rijk hebben vrouwen grote politieke invloed uitgeoefend. Zo werd de Servische, christelijke, prinses Mara in de vijftiende eeuw door haar stiefzoon sultan Mehmed II gevraagd te bemiddelen in de Venetiaanse oorlogen. Een andere bloeiperiode van vrouwenmacht was de Ottomaanse achttiende eeuw. Je kunt het aflezen aan de enorme, weelderige paleizen die de sultans toen speciaal voor hun vrouwen lieten bouwen aan de oevers van de Gouden Hoorn in Istanbul, paleizen die de macht van hun bouwers uitdrukten, maar ook van hun bewoners.

De geportretteerde sultanes zijn misschien wel de meest aansprekende symbolen voor het in Brussel gemanifesteerde Turkse kosmopolitisme. Nooit zijn het zwartharige vrouwen met Mongoolse trekken en een snor. Hürrem Sultan, de vrouw van de fameuze zestiende-eeuwse vorst Süleyman I de Prachtlievende, doet met haar donkerblonde vlechten, kleine mondje en intelligente ogen eerder aan een Europese hertogin denken dan aan een oosterse vorstin. Vreemd is dat niet, als je bedenkt dat de sultans in die tijd de gewoonte hadden om niet meer met de dochters van naburige christelijke of moslimheersers te trouwen, maar met vrouwelijke slaven. Zo was Hürrem een Oekraïense die op de Kaukasus gevangen werd genomen. Via de slavenmarkt van Istanbul belandde ze in de harem van de sultan, waar ze opklom in de haremhiërarchie en een machtige vrouw werd. In een vitrine ligt een rijkversierde bundel met liefdesgedichten van Süleyman I te pronken. Hoofse lyriek die over Hürrem gaat. Een andere sultane, Mihrumah Sultan, is net zo'n blonde schat als zij.

De schilderijen op deze grote Turkije-tentoonstelling geven een mooi beeld van de levens van de sultanes, die in veel opzichten aangenamer en minder stijf lijken dan die van de Europese vorstinnen. Hun gewaden zijn in ieder geval om van te watertanden. De blauwzijden jurk bestempeld met bladzilver van de zestiende-eeuwse Ayse Sultan zou zo van Givenchy kunnen komen.

Opvallend is dat Turkse schilders de Ottomaanse vrouwen heel anders portretteren dan hun Europese vakgenoten doen. Bij de Turkse kunstenaars zijn de sultanes en bourgeoisdames wulpser, uitdagender, valser. Hun borsten schijnen door de stof van hun kleurrijke gewaden heen. Bij de Europese schilders zijn ze veel maagdelijker en lieftalliger, alsof er al iets begint door te sijpelen van de dweepzucht die het welvarender deel van Europa rond 1900 met de oriënt zal gaan vertonen.

Aan het begin van de negentiende eeuw leed het Ottomaanse Rijk onder grote maatschappelijke onrust en gebiedsverlies. Steeds duidelijker werd dat Turkije ziek was, met een ernstig rottend been op de Balkan. De ontwikkelingen dwongen de sultans radicale sociale, juridische en economische hervormingen door te voeren, met als resultaat een kleinere, maar modernere staat met grotere overlevingskansen. Vanaf die tijd begint het land verder te verwesterlijken en werpt het geleidelijk aan zijn oosterse gewaad af. In de tweede helft van de negentiende eeuw voert de sultan zelfs een grondwet in en ontstaat er een prille democratie, die na enkele stuiptrekkingen weer om zeep wordt geholpen om begin twintigste eeuw weer aan de beademingsapparatuur te mogen liggen. Maar dan is het al te laat. Tijdens de Balkanoorlog van 1912 verliest het rijk 83 procent van zijn grondgebied in Europa en daarmee 70 procent van zijn bevolking. De keuze voor Oostenrijk-Hongarije tijdens de Eerste Wereldoorlog gaf het rijk de nekslag.

Anna Karenina

Op alle schilderijen uit die laatste anderhalve levenseeuw van het Ottomaanse Rijk staan vrouwen die evengoed uit de betere kringen van Rusland, Polen, Roemenië of Bulgarije kunnen komen. Het specifiek Turkse lijkt alleen nog binnen de paleizen te bestaan. Zo doet het portret van de dichteres Nigar Hanim (1895) je aan Eline Vere, Emma Bovary en Anna Karenina denken, niet aan een ingezetene van een islamitisch land.

De moderniteit straalt ook van de foto's van Ali Sami. Het is volop Europees fin-de-siècle wat je erop ziet. Vrouwen in Europese kostuums, achter de piano, in het atelier van een fotograaf. Palmen, thonetstoelen, schemerlampen. Dit is een wereld waarin de islam nog maar net zo'n kleine rol speelt als het katholicisme en protestantisme in Nederland in 1970. Natuurlijk weet je dat die moderniteit zich beperkt tot de bourgeoisie van Istanbul en dat het leven in het Turkse achterland veel primitiever is. Maar toch.

En dan is er dat enigszins vervreemdende anonieme schilderij Beethoven in de harem. In een negentiende-eeuwse salon spelen een cellist, een violiste en een pianiste een pianotrio van Beethoven, wiens buste op een console staat. Aan de muur hangen een Frans staand horloge en een zeegezicht. Achter de stoel van de cellist staan drie weemoedige meisjes voor een kamerscherm toe te luisteren. Naast de violiste zit een oude man met een krulsnor, gekleed in een officiersuniform met rode biezen op zijn pantalon. Naast hem liggen zijn bontmuts en sabel en ... een partituur van componist Ludwig van Beethoven, vertegenwoordiger bij uitstek van de West-Europese cultuur. Het tafereel doet eerder denken aan het Parijs van Proust dan aan de vijfkoppige harem van een bejaarde sultan. Precies om die reden zegt het alles over de nieuwe richting die het Ottomaanse Rijk aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was ingeslagen.

Bij het verlaten van de laatste tentoonstellingszaal moet je nog langs één klein schilderij, Vrouwen op het Taksimplein (1935). In een moderne wijk, met op de achtergrond sjieke flatgebouwen, lopen keurige dames, gekleed volgens de laatste Londense mode. Hoedjes, hoge hakken, bloemetjesjurken. Op een oosters ogend monument na is er niets Turks te zien. Je waant je eerder in Kensington, op de Boulevard Saint-Michel of op de Kurfürstendam. Het laat zien hoezeer de nieuwe koers, die na 1923 nog werd versterkt door Kemal Atatürk, was aangeslagen, en vooral hoe graag het logge Turkse schip van staat met volle kracht de moderne tijd wilde binnenstomen.

`Moeders, godinnen en sultanes. Vrouwen in Turkije van de prehistorie tot het einde van het Ottomaanse Rijk'. Tot 16 januari 2005 in het Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10, Brussel. Open: di-zo 10-18u, do 10-21u. Gesloten op 25 december en 1 januari. Inl.: tel. 00.32.25078444 of www.bozar.be

De sluier is een christelijke traditie overgenomen door de islam

Heilige vrouwen waren in Byzantium

de idolen van iedereen