Politieke inmenging

De vrijspraak voor sergeant-majoor Eric O., eerder deze week, vraagt om een grondige evaluatie door de top van de Nederlandse justitie. Deze evaluatie heeft plotseling een rare draai gekregen. Er is een ruzie losgebarsten tussen de rechterlijke macht en het parlement. Kamerleden hebben de vrijspraak aangegrepen om nog eens flink hun gal te spuwen over het openbaar ministerie, met name topman De Wijkerslooth. Deze politieke bemoeienis wordt nu op zijn beurt bekritiseerd door de Raad voor de rechtspraak (het officiële orgaan van de gerechten) en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de beroepsorganisatie van rechters en openbare aanklagers. Bezwaren tegen politieke inmenging uit deze hoek zijn niet nieuw. Uitgerekend De Wijkerslooth stelde enkele jaren geleden al de toename van incidentenpolitiek aan de orde.

Nieuw is wel dat de rechters nu zo opzichtig om het OM en zijn benarde ,,super-PG'' heen gaan staan. Aanklagers en rechters zijn weliswaar beiden lid van de NVvR, maar deze combinatie staat al geruime tijd ter discussie. Daar is ook aanleiding voor. De rechter is onafhankelijk, maar de officier van justitie dient twee meesters: de rechtspraak en de regering, dus de politiek. Regering en parlement hebben de touwtjes juist structureel aangetrokken. Dat kan men betreuren, maar om dan nu opeens het staatsrechtelijk beginsel van de scheiding der machten in de staat in geding te brengen, zoals de Raad voor de rechtspraak doet, is nogal geforceerd. De Raad voor de rechtspraak gaat trouwens helemaal niet over het openbaar ministerie en zou dus eerder afstand van het gekrakeel moeten nemen in plaats van zich daar in te mengen. De rol van de rechter is niet in geding gebracht.

Het is wel een goede staatsrechtelijke gewoonte dat Kamerleden zich alleen bemoeien met het beleid en niet met concrete strafzaken, net zoals zij zich niet dienen te mengen in benoeming en ontslag van individuele ambtenaren. Er is alle reden voor kritiek dat de Kamer deze grens onvoldoende bewaakt. Maar uitgerekend de zaak-Eric O. is een verkeerd voorbeeld. De Wijkerslooth heeft het politieke lawaai zelf over zich afgeroepen met zijn ongelukkige televisie-optreden vlak na de arrestatie. Dat de rechter behalve de sergeant-majoor in feite ook de super-PG heeft vrijgesproken, zoals nu uit magistratelijke kring wordt aangevoerd, mag juist zijn, maar is niet iets om zich op te beroemen. Het feit dat de rechter nadrukkelijk zegt dat het publicitaire optreden van De Wijkerslooth geen reden was om het hele proces af te blazen, maakt zijn stellingname nog niet adequaat. En dus een onderwerp van politieke discussie. Dat de rechter zegt dat er bij de arrestatie van de marinier wel degelijk een formele verdenking van moord kon bestaan, onderstreept, gezien de afloop van de zaak, alleen maar de vraag of het OM niet een ernstige inschattingsfout heeft gemaakt.

Het is pijnlijk om Kamerleden zo ongegeneerd publicitaire munt te zien slaan uit een belangrijke rechtszaak. Zij zouden zich beter kunnen afvragen of goedkoop getamboereer het gezag van de politiek wel zo ten goede komt. Helemaal pijnlijk is het echter wanneer de Nederlandse magistratuur zich laat meeslepen in een publicitaire strijd om de publieke gunst.