Mensenrechten boven Nederlands recht

In Duitsland gaat de grondwet boven een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Dat kan gevolgen hebben voor andere landen.

Mag een Duitse rechter een uitspraak doen die strijdig is met een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens? Die principiële vraag werd eergisteren beantwoord door het Constitutionele Hof in Karlsruhe. Het antwoord was: ja, als het erop aan komt, mag dat. Uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn niet bindend voor de Duitse rechters, al moeten zij het EHRM wel zoveel mogelijk volgen.

De uitspraak van het Duitse Hof, het Bundesverfassungsgericht, werd gedaan in de zaak van een Turkse vader met een buitenechtelijk geboren zoon die in Duitsland woont. De vader eiste omgang met het kind. Het EHRM gaf hem gelijk, maar de Duitse rechter oordeelde dat die uitspraak niet bindend was. Het Constitutionele Hof vindt nu dat de Duitse rechter de Europese jurisprudentie zoveel mogelijk moet volgen, maar houdt de mogelijkheid tot een afwijkend standpunt open, als de uitspraken van het EHRM in strijd zijn met de Duitse grondwet. Bovendien gaf het Constitutionele Hof aan dat ook uitspraken gewezen tegen andere landen voor de Duitse rechter relevant zijn.

Het EHRM, dat zetelt in Straatsburg, is het gerechtshof dat rechtsmacht heeft over landen die lid zijn van de Raad van Europa, en die het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens hebben ondertekend, in totaal 46 landen, waaronder Rusland en Turkije. De rechtsmacht van het EHRM is dus veel ruimer dan die van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg, dat alleen werkt voor de 25 landen van de Europese Unie, zij het dat deze beperkt is tot mensenrechtenbescherming.

De gevolgen van de uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof kunnen groot zijn, zegt de Nederlandse staatsrechtgeleerde prof.mr. Paul Bovend'Eert van de Radboud Universiteit in Nijmegen. ,,Dit kan andere landen van de Raad van Europa inspireren om eenzelfde houding aan te nemen als het aankomt op de vraag: wat laten we voorgaan, ons eigen rechtssysteem of de uitspraken van het EHRM? Men kan nu zeggen: de Duitsers zijn ons voorgegaan, waarom zouden we niet hetzelfde doen?''

Prof.mr. C. Flinterman, hoogleraar rechten van de mens aan de Universiteit van Utrecht, noemt de uitspraak van het Duitse Hof om die reden ,,zorgelijk''. Ook hij kijkt vooral naar andere landen dan Duitsland zelf. ,,Als zo'n land wordt geconfronteerd met een onwelgevallige uitspraak over een schending van de rechten van de mens, kunnen zij nu wijzen op het Duitse voorbeeld.''

Toch kunnen niet alle landen de uitspraken van het EHRM aan hun laars lappen. Elk land in Europa kent zijn eigen rechtsorde. Duitsland heeft, net als Groot-Brittannië, een rechtssysteem waarbij het Europese Verdrag niet direct doorwerkt in de rechtsorde. Het Duitse rechtssysteem zit zo in elkaar dat verdragen eerst in een wet moeten worden gegoten voordat ze in Duitsland kunnen worden ingevoerd, zegt Bovend'Eert. Dat geldt ook voor Groot-Brittannië. En daarmee valt die wet weer onder de grondwet in beide landen.

Het komt erop neer dat het internationale recht in Duitsland geen voorrang heeft boven het nationale recht, zoals in Nederland het geval is. Ook al staat in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens zelfs dat de uitspraken van het EHRM bindend zijn voor de ondertekenaars, waaronder Duitsland. Flinterman: ,,In het verdrag staat uitdrukkelijk dat de uitspraken van het EHRM moeten worden nageleefd door de staten. Dat zijn bindende, volkenrechtelijke verplichtingen. Daar is geen misverstand over. Het probleem is altijd, en dat doet zich in optima forma voor in de Duitse rechtsorde, dat de nationale rechter eerst en vooral een nationale rechter is, die binnen zijn constitutionele systeem werkt.''

In Nederland ligt dat al jaren principieel anders. In Nederland is zelfs in de grondwet vastgelegd dat het internationale recht voorgaat, ook al is dat in strijd met de nationale wetgeving. ,,Voor Nederland maakt deze uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof dan ook helemaal niets uit'', zegt Flinterman.

Nederland heeft in het verleden verschillende keren een ommezwaai moeten maken door uitspraken van de rechter in Straatsburg, zegt mr.dr. T. Barkhuysen, hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden. Een van de bekendste `slachtoffers' van Straatsburg was in de jaren tachtig het Kroonberoep, dat ministers het recht gaf in laatste instantie te beslissen over een geschil met een burger. ,,Daarvan zei het EHRM: nee, dat kan niet, want in laatste instantie heb je als burger recht op een onafhankelijke, onpartijdige rechter die jouw zaak definitief beslist. Het EHRM vond de Kroon – de minister dus – geen onafhankelijke en onpartijdige rechter.''

Het oordeel van het EHRM leidde vervolgens tot de oprichting van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die als onafhankelijke rechter in laatste instantie mag oordelen over bestuurlijke geschillen tussen burger en overheid. Maar inmiddels heeft het EHRM de Nederlandse staat ook daarover een tik op de vingers gegeven. Barkhuysen: ,,Begin 2003 heeft het EHRM gezegd dat het er niet van overtuigd was dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in alle gevallen onpartijdig en onafhankelijk zal kunnen oordelen over geschillen tussen burger en overheid, omdat de Raad van State tegelijkertijd adviesorgaan van de regering is.''

Barkhuysen was een van advocaten die de `zaak' rond de Afdeling bestuursrechtspraak aanbrachten bij het EHRM. Barkhuysen: ,,Wij zetten uiteindelijk zelfs onze eigen grondwet opzij. De Duitsers willen het in laatste instantie kunnen corrigeren als het EHRM een uitspraak zou doen die in hun ogen echt afwijkt van hun eigen grondwet. Een vergelijkbare positie wordt in Duitsland gekozen ten aanzien van het recht van de EU. In Nederland wordt overigens ook wel gedebatteerd over de vraag of de positie van onze grondwet ten opzichte van Europees recht niet zou moeten worden verstevigd.''