Liggelden boomerang voor Havenbedrijf

Een al jaren slepend geschil met de oliemaatschappijen houdt grote financiële risico's in voor het Rotterdamse Havenbedrijf. Die komen bovenop de `erfenis' van oud-directeur Willem Scholten.

Alle aandacht gaat dezer dagen uit naar de heimelijke deals van Joep van den Nieuwenhuyzen en ex-directeur Willem Scholten. Maar intussen ligt de toekomst van het Havenbedrijf Rotterdam in handen van een paar accountants te 's-Gravenhage.

Omdat het Rijk van plan is voor de financiering van de Tweede Maasvlakte een gedeelte van de aandelen van het Havenbedrijf te kopen, laat Financiën boekenonderzoek doen door accountantsfirma Deloitte en Touche. De bedoeling is dat zo de werkelijke financiële kracht van het Havenbedrijf in beeld komt. Het kwam dit jaar als overheids-NV op eigen benen te staan, en kon over 2003 fraaie cijfers overleggen: winst 56 miljoen euro, omzet 400 miljoen, eigen vermogen 200 miljoen. Cijfers die immiddels zijn achterhaald door het RDM-drama, waarbij heimelijke garanties van ex-directeur Scholten het Havenbedrijf voorlopig achterlaten met een gat van 140 miljoen euro.

Maar er is meer. Al vanaf medio jaren negentig is het Havenbedrijf, destijds nog een `normale' gemeentelijke tak van dienst, met de grote oliemaatschappijen – Shell, Exxon, BP, Chevron – verwikkeld in een gevecht over de havengelden. Het had geen gevecht hoeven worden, vertelt Koos Hoogland, als fiscaal adviseur van de olieconcerns destijds betrokken bij de procedures die zij later zijn begonnen.

De oliemaatschappijen signaleerden dat ze voor olietankers veel hogere havengelden betaalden dan overslagbedrijven voor containerschepen. De verhouding was één op drie, zegt Hoogland. Als een olietanker 200.000 euro havengeld moest betalen, diende een vergelijkbaar containerschip slechts 68.000 euro te voldoen.

Op de achtergrond – dat kon iedereen zien – speelde de heftige behoefte van Rotterdam om de grootste overslaghaven van Europa te blijven. Om Hamburg en Antwerpen de loef af te steken, moesten de tarieven voor containerschepen laag blijven.

De oliemaatschappijen, die per jaar 45 á 50 miljoen euro havengeld afdragen, konden daarentegen op geen enkele korting van de tarieven rekenen. Oliebedrijven zitten vast aan hun raffinaderijen, in de containeroverslag kan men van de ene dag op de andere van haven verwisselen – daarom is de haven vlotter geneigd containerbedrijven te paaien met extra kortingen. ,,Maar daardoor dwong het Havenbedrijf Rotterdam de oliemaatschappijen in feite tot kruissubsidiëring van de containersector'', aldus Hoogland. Voorts was sprake van oneerlijke concurrentie in EU-verband, meenden de oliebedrijven: in Rotterdam moesten ze op oneigenlijke gronden hogere tarieven betalen dan hun concurrenten in andere Europese havens.

De oliesector vroeg overleg aan met de directie van het Havenbedrijf, toen nog Willem Scholten. ,,Maar de directeur met zijn megalomane arrogantie weigerde de oliebedrijven serieus te betrekken in een gesprek over de tarieven'', aldus Hoogland. Na jaren van pogingen de zaak in overleg op te lossen, besloten de oliebedrijven in 1996 de tarieven aan de rechter voor te leggen, zegt Hoogland. Directeur J.C.D. Boot van de branchevereneging NVPI en de advocaat van de oliebedrijven, R. Ludding van Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, bevestigen dit.

De procedures hadden geruime tijd een hoog studeerkamergehalte. Dat werd mede veroorzaakt door een slimme ingreep van het Havenbedrijf. Toen de oliesector ging procederen, was sprake van een fiscaal regime. Het havengeld was een zogenoemde retributie: een vergoeding voor kosten van de gemeente. Winst maken – zoals het Havenbedrijf Rotterdam toen al jaren deed – was in die situatie uit den boze: deze winst moest in het retributiestelsel formeel in mindering worden gebracht op de havengelden. Het Havenbedrijf zag dat ook in, en veranderde in 1997 ,,op slinkse wijze'', aldus Hoogland, het regime: voortaan was het havengeld een civiele heffing. In bedragen veranderde er niets.

De oliemaatschappijen zagen zich nu genoodzaakt twee procedures te beginnen: één tegen het fiscale regime en één tegen het civielrechtelijke. In die laatste procedure kwam anderhalf jaar geleden eerste helderheid. De rechtbank in Rotterdam oordeelde 27 november 2002 dat het hoogst aannemelijk is dat de oliebedrijven de tarieven terecht betwisten. Het Havenbedrijf heeft als monopolist een economische machtspositie, redeneerde de rechtbank, en zo'n machtspositie wordt misbruikt als in die rol onevenredig hoge tarieven worden geheven. In elk geval, ging de rechter verder, was het Havenbedrijf in de procedure niet in staat een ,,toereikende grondslag'' voor de omvang van de tarieven te overleggen. Het misbruik van de economische positie werd kortom waarschijnlijk geacht, in welk geval volgens de rechtbank ,,vaststaat'' dat het Havenbedrijf zowel Europese als Nederlandse mededingingsregels heeft ,,overtreden''. Als tussenoplossing gelastte de rechtbank een onderzoek door deskundigen om bij het Havenbedrijf vast te stellen hoe de tarieven worden vastgesteld. In een beroepsprocedure hiertegen heeft het hof in Den Haag dit vonnis van de Rotterdamse rechtbank intact gelaten, aldus Ludding.

De fiscale procedure is inmiddels tot aan de Hoge Raad gekomen. Ook hier is het Havenbedrijf aan de verliezende hand. Het gerechtshof in Den Haag stelde de haven aanvankelijk in het gelijk, maar die uitspraak is 7 mei in een vernietigend arrest door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad acht schending van de Europese mededingsregels ,,waarschijnlijk'', en heeft de zaak verwezen naar het hof in Amsterdam. Net als de Rotterdamse rechtbank vordert de Hoge Raad een onderzoek naar de manier waarop het Havenbedrijf de tarieven vaststelde. ,,Dat kost een paar centen, maar dan heb je ook wat'', zo schreef J.W. Ilsink, procureur-generaal bij de Hoge Raad.

Nu het er naar uitziet dat het Havenbedrijf zowel de Europese als Nederlandse mededingingsregels heeft geschonden, is de vraag welke financiële risico's het bedrijf loopt. Advocaat Ludding benadrukt namens de oliebedrijven dat ,,de primaire zorg'' van zijn cliënten is om een betere tariefstelling te bereiken. ,,Onze eis tot terugbetaling is van technische aard. Maar als de slotsom van de procedure is dat we het geld kunnen terugvorderen, dan mag men niet van ons verwachten dat we dit laten zitten.''

En zo is langzamerhand een kolossaal risico voor het Havenbedrijf ontstaan. Sinds 1996 hebben de oliemaatschappijen hangende de procedures het havengeld (gemiddeld 45 miljoen euro per jaar) onder voorbehoud voldaan. ,,Het is duidelijk dat er honderden miljoenen euro's in het geding zijn'', aldus Ludding. Hoogland heeft het exacter nagekeken: ,,Het procesrisico voor het Havenbedrijf is zo'n 400 miljoen euro.'' Dat bedrag gaat er vanuit dat de oliemaatschappijen tenslotte geen havengelden hoeven te betalen. Meer voor de hand ligt dat ze op een ongeveer gelijk niveau als de containersector worden gesteld circa eenderde van hun huidige plichten. ,,Dan hou je 270 miljoen euro als reëel risico voor het Havenbedrijf over'', aldus Hoogland. ,,En dan moet je de wettelijk verplichte rente nog meetellen.''

Het ministerie van Financiën wil formeel niet zeggen of dit specifieke risico in het boekenonderzoek is betrokken. Maar het Havenbedrijf zal het departement niet gealarmeerd hebben. Dat is daar al jaren het beleid. Het Havenbedrijf heeft geen voorzieningen getroffen. ,,We wachten het wel af'', zegt een woordvoerder. ,,In beide procedures is er na het huidige stadium nog beroep mogelijk. Dus dat duurt nog wel een paar jaar.''

Hoogland zegt dat hij als fiscaal jurist, gespecialiseerd in gemeentelijke heffingen, zo'n houding in grote steden vaker aantreft. ,,Als ze verliezen, gaan ze in beroep en tegen die tijd zit er een andere wethouder. Niet erg ethisch of integer. Want intussen wordt de rekening steeds hoger.''

Reacties: haven@nrc.nl