Geen spierpijn maar borstkanker

Al vier artsen hadden een asielzoekster in Appelscha bezocht, maar pas de vijfde stuurde haar door naar het ziekenhuis. De vrouw is overleden aan borstkanker.

J. Mousavi liep tegen een muur, vond hij. Pas na zes verzoeken hiertoe komt een verpleegkundige bij zijn vrouw F. Karimi op bezoek. ,,Elke keer noemde ze borstklachten, maar die zijn nooit genoteerd in het verpleegkundig dossier'', stelt Mouravi's advocaat M. de Witte.

Op 25 april bezoekt een verpleegkundige haar op het terrein van het asielzoekerscentrum in Appelscha. Ze noteert dat de vrouw klaagt over pijn in rug en schouders. Karimi zegt niet naar een huisarts te willen. ,,Omdat zij het idee kreeg niet geloofd te worden'', denkt de verpleegkundige.

Toch maakt zij een afspraak met een arts. Op 27 april 2001, zeven weken voordat de diagnose uitgezaaide, ongeneeslijke borstkanker wordt gesteld, bezoekt de eerste huisarts de Iraanse vrouw. De artsen bezoeken het centrum bij toerbeurt. Hij noteert in het huisartsenverslag: `Drie maanden spierpijn verspringend. Myogene klachten [spierklachten, red.]' Hij schrijft een pijnstiller voor.

De arts gaf tijdens een voorlopig getuigenverhoor eind vorig en begin dit jaar voor de rechtbank in Leeuwarden toe haar ,,beperkt'' te hebben onderzocht. De Witte in het rapport aan het regionaal medisch tuchtcollege in Groningen: ,,Dat klopt niet. Hij heeft haar helemaal niet onderzocht. Hij stelde de diagnose spierpijn op basis van een onvolledig onderzoek.''

Volgens de eerste arts hebben allochtone vrouwen problemen om zich te ontkleden. De Witte beschouwt het als een verzuim dat de arts dit Karimi niet eens gevraagd heeft en haar evenmin uitlegde waarom onderzoek belangrijk was.

Ze was depressief, had stress of een theatrale persoonlijkheid, dachten de vijf verpleegkundigen van het asielzoekerscentrum in Appelscha en vier huisartsen. In werkelijkheid had Karimi uitgezaaide en naar later bleek ongeneeslijke borstkanker. Ze kampte negen maanden met pijnklachten in borst, maag, rug en schouder. In die periode werd ze bezocht door negen hulpverleners.

De vijfde arts stuurde haar door. In het ziekenhuis werd de fatale diagnose gesteld. Karimi stierf in november 2001. Het OM in Leeuwarden laat onderzoeken of de betrokken artsen en verpleegkundigen dood door schuld ten laste kan worden gelegd. Advocaat De Witte schakelde de Inspectie voor de Gezondheidszorg in en diende tevens een klacht in bij het regionaal medisch tuchtcollege in Groningen.

Hij verwijt de verpleegkundigen dat ze Karimi veel te laat hebben doorgestuurd naar een huisarts. De artsen verwijt hij dat ze de echtgenote van zijn cliënt goede medische zorg hebben onthouden, nimmer grondig lichamelijk onderzoek hebben verricht en nooit een tolk hebben ingeschakeld, hoewel de vrouw slecht Nederlands sprak.

Een tweede huisarts bezocht Karimi op 21 mei 2001. In het dossier noteert hij: ,,Misselijke rugklachten, pijnaanvallen. Normale peristaltiek [voorstuwende beweging van spieren in wand van maagdarmkanaal, red.]. Geen duidelijke diagnose.''

Advocaat De Witte in zijn klacht aan het tuchtcollege: ,,De arts kan vanwege taalproblemen niet met haar praten, maar ook hij schakelt geen tolk in. Hij heeft alleen haar opgezette buik onderzocht. [..] Hij heeft niet doorgevraagd. Maakt geen melding van al maanden bestaande rugklachten. Doet geen nader onderzoek. Hij laat na patiënte door te verwijzen naar een ziekenhuis.''

Twee dagen later komt de derde arts op bezoek. Hij schrijft onder meer op dat Karimi pijn heeft in heup, rug en maag. Volgens deze arts kwam de vrouw ,,erg angstig'' over. Hij onderzocht haar buik en dacht aan een maagzweer of depressie. ,,Hij vroeg evenmin door'', stelt De Witte.

Dan komt op 11 juni 2001 de vierde arts. ,,Geen verbetering, dikke buik'', schrijft deze. De Witte: ,,Hij mist de diagnose door onvolledig onderzoek.''

Pas de vijfde arts stuurde de vrouw naar het ziekenhuis, waar de juiste diagnose werd gesteld.

Huisarts A.P.W. Brouwer, die namens zijn collega's het woord voert, spreekt van een ,,heel betreurenswaardige en verdrietige zaak''. Maar hij kan inhoudelijk ,,onmogelijk'' op de zaak ingaan. ,,Wij zitten met de arts-patiëntrelatie en ons ambtsgeheim. Als arts ben je kwetsbaar, omdat je geen weerwoord kunt geven.''

M. Sobels van GGD Nederland kan namens de Medische Opvang Asielzoekers Noord-Nederland (MOA) evenmin inhoudelijk reageren. ,,Dat is niet passend nu het OM een onderzoek instelt.''

Jaarlijks vinden in asielcentra 350.000 consulten plaats van asielzoekers bij praktijkverpleegkundigen met een hbo-opleiding. In 40 procent van de gevallen wordt doorverwezen naar een huisarts. De verpleegkundigen, die in loondienst zijn van de MOA, geven adviezen en voorlichting, verwijzen door, maar stellen geen diagnose, aldus Sobels. ,,Er bestaan duidelijke afspraken tussen hen en de artsen, wanneer iemand bij welke klacht moet worden doorgestuurd naar een arts.''