De olie en wij

Is er reden voor paniek, nu de prijs van ruwe olie op de wereldmarkt deze week nieuwe records brak? Amerikaanse olie schoot maandag naar 55,33 dollar per vat. Europese Noordzee-olie, die altijd een paar dollar goedkoper is, kwam boven de 50 dollar uit. De invloed van de olieprijs op de conjunctuur is onmiskenbaar, en Nederland is geen uitzondering. Het goede nieuws is dat afhankelijkheid van olie zodanig is gedaald dat de economische schokken zoals die plaatsvonden tijdens de oliecrises van 1973 en 1979-1980 tegenwoordig milder zijn.

Dat ligt niet alleen aan de relatieve prijs van olie. Gecorrigeerd voor inflatie is die prijs nog lang niet waar hij was in 1980. Om dat niveau te bereiken zou olie nu rond de 75 dollar per vat moeten noteren. Het Centraal Planbureau (CPB) stelde onlangs dat het energieverbruik ten opzichte van de economische productie sinds het begin van de jaren zeventig is gehalveerd. Niet alleen zijn bedrijven en gezinnen zuiniger geworden met energie. Ook is de productie verder verschoven van de industrie naar de dienstensector, die minder energie verbruikt. Daarnaast is olie voor een deel verdrongen door gas, kern-, wind-, en zonne-energie. Het aandeel van olie in het Nederlandse energieverbruik bedroeg in 1973 nog 46 procent, tegen 36 procent in 2002.

De voornaamste handelspartners in de Europese Unie, en ook de Verenigde Staten, verminderden hun relatieve olie-afhankelijkheid, waardoor zij minder kwetsbaar zijn geworden. Het effect op de Nederlandse export valt zo mee. Resultaat is volgens het CPB dat een olieschok nog maar half zoveel invloed heeft op de economische groei en de werkloosheid als tijdens de vorige schok van 1980. De Nederlandse inflatie is met 1 procent op dit moment zo laag dat het prijsopdrijvende effect van dure brandstoffen kan worden opgevangen.

Dit neemt niet weg dat de effecten van een aanhoudend hoge olieprijs nadelig zijn voor de bedrijvigheid, net nu de Nederlandse economie – tegen de kabinetsbezuingingen in – moeizaam aan vaart wint. Interessant is dan ook dat juist het op orde brengen van de overheidsbegroting baat heeft bij een hoge olieprijs. De prijs van aardgas is op afstand gekoppeld aan olie. Via de aardgasbaten krijgt de staat meer geld binnen. Toen het CPB in de aanloop naar de recente Miljoenennota 2005 zijn ramingen voor de olieprijs verhoogde van 29 dollar naar 36 dollar per vat, droeg dat bij aan een drukkend effect van maar liefst 0,4 procentpunt op het begrotingstekort. De gemiddelde olieprijs voor heel 2004 ligt nu al op 37,5 dollar per vat. De extra meevaller voor minister Zalm loopt op papier al in de richting van een miljard euro. Als ook 2005, waarvoor het CPB nu rekent met 35 dollar, een hogere olieprijs laat zien, mag een soortgelijke meevaller worden verwacht. Daartegenover staan tegenvallers als gevolg van een lagere economische groei. Maar dat er daardoor per saldo geen netto-effect zou zijn, lijkt door de gebeurtenissen van 2004 gelogenstraft.

De olieprijs is notoir onvoorspelbaar. Het zou onverstandig zijn om meevallers alvast in te boeken, maar er kan ruimte door ontstaan in de begroting. In de recente confrontatie tussen kabinet en werknemersorganisaties is zulk wisselgeld een geschenk uit de hemel. Of beter gezegd: uit de grond.