Belastinginspecteur gaat niet over strafrecht

Op de opiniepagina van 12 oktober wordt de kritiek vanuit de Eerste Kamer op het wetsvoorstel `Uitbreiding van de niet-aftrekbaarheid van kosten en lasten die verband houden met omkoping' door Van den Heuvel en Huberts onterecht weggewuifd. Bedoeld wetsvoorstel is in het leven geroepen om de Inspecteur de mogelijkheid te bieden aftrek van kosten reeds te weigeren, wanneer hij aannemelijk acht dat sprake is van een strafbaar feit (omkoping). Het oordeel van de strafrechter (of het instemmen met een transactievoorstel) is door dit voorstel niet meer noodzakelijk om de kostenaftrek te kunnen weigeren.

Dit wetsvoorstel is een reactie op de kritiek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op de huidige wettelijke stand van zaken. Thans wordt kostenaftrek geweigerd na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling of een transactie met het openbaar ministerie. Het kan onder de huidige wet voorkomen dat de navorderingstermijn in fiscalibus op het moment van een onherroepelijke veroordeling reeds is verlopen. De OESO heeft aangegeven dat dit niet wenselijk is.

Dat `de sfeer van de Strafwet' door het wetsvoorstel wordt doorbroken, vinden Van den Heuvel en Huberts een grote verdienste. Ik ben het met de heren niet eens. Uitsluitend de strafrechter dient te oordelen of een gedraging strafbaar is gesteld in het Wetboek van Strafrecht, niet de Inspecteur. De Inspecteur is daartoe niet geëquipeerd en moet daarmee ook niet worden opgezadeld.

Vanuit de Eerste Kamer is dan ook terecht kritiek geuit op het wetsvoorstel. Aan de bezwaren van de OESO kan eenvoudig worden voldaan door verlenging van de navorderingstermijn. De Inspecteur kan dan blijven doen waar hij goed in is, te weten belasting heffen, zonder strafrechtelijke `rompslomp'.