Scherpe blik op homoseksuele mannen

The Line of Beauty, de roman van Alan Hollinghurst (1954) die gisteren de Booker Prize won, is zijn vierde boek. Het is een soort comeback: na zijn spetterende debuut The Swimming-Pool Library (1988), een toentertijd verbluffend ongegeneerde roman over het Engelse homoleven vóór de aids-epidemie, raakte de schrijver een beetje uit zicht. Hij schreef twee romans waarin hij groeide als auteur, The Folding Star en The Spell, maar die te veel een genre op zichzelf waren om een groot publiek te trekken.

Dat had vast ook te maken met dodelijke, bijna klinische observaties waarmee hij zijn personages neerzette; zowel in The Folding Star als in The Spell lenen zijn hoofdpersonen, stuk voor stuk homoseksuele Engelse mannen, zich niet voor de gezellige en gemakkelijke vereenzelviging van zoveel eerdere ,,homoboeken''. De mannen van Hollinghurst, jong of oud, zijn complexe figuren met (meestal erotische) obsessies, die slechts herkenbaar zijn op een ongemakkelijke manier. Ze jagen schoonheid na en daarin zijn ze nietsontziend; seks heeft voor hen een bijna metafysische betekenis. In de onvermijdelijke ontnuchtering zijn ze tragisch zonder zielig te zijn.

Hollinghurst is geen moralist: hij koestert de grandioze illusies van zijn hoofpersonen en weet er met zijn precieze stijl diep in door te dringen, zonder zich er als auteur in te verliezen. Ook in The Line of Beauty, een groots opgezette Bildungsroman die zich afspeelt in de achteraf vooral verfoeide Thatcher-tijdperk, weet hij de betovering die het huishouden van een aanstormende Tory-politicus heeft op de jonge student Nick meeslepend en geloofwaardig te maken, zodat de onvermijdelijke desillusies aan het eind van de jaren tachtig, ook nationale desillusies, extra hard aankomen.

Misschien vormt die intrigerende, en soms ongemakkelijke combinatie van lyrische vervoering en onderkoelde en ironische afstandelijkheid de essentie van de schrijver Hollinghurst. Het maakt hem uniek in de hedendaagse Engelse literatuur.