Bewindslieden: kom uit uw ivoren torens en luister eens

Zelden heeft een kabinet minder steun gehad dan het tweede kabinet- Balkenende. Het is ziende blind en horende doof voor kritische stemmen uit de samenleving. Het wordt tijd voor een koerswijziging, meent Jan Drentje.

Het kabinet mag misschien te weinig naar het volk luisteren, maar luistert het wel voldoende naar zijn adviseurs, wetenschappers en deskundige raden? Dat valt te betwijfelen. Eén van de merkwaardige aspecten van de huidige opstelling van het kabinet is dat het doet alsof alleen hij inziet welke structurele maatregelen met het oog op vergrijsde toekomst nodig zijn. Er is op zichzelf voldoende consensus voor herstructurering van de pensioenen, de zorg en de sociale verzekeringen. Waar het echter aan mankeert is dat de maatregelen niet alleen weinig sociale, maar ook weinig wetenschappelijke steun ondervinden en soms zelfs erger lijken dan de kwaal. Een paar voorbeelden.

De econoom Sweder van Wijnbergen nam gelukkig in deze krant van 21 september de moeite om een aantal kabinetsmaatregelen tegen het licht van de rede te houden. Terecht wees hij erop dat de instroom in de WAO de laatste jaren al voldoende is gedaald als gevolg van de tijdens Paars II in gang gezette maatregelen, op een zodanig spectaculaire manier zelfs dat iemand als het SER-kroonlid Van Linschoten heeft geadviseerd het in grote lijnen bij dit beleid te laten. Minister De Geus wil echter de top tien van daadkrachtige ministers aller tijden halen en herkeurt nu vrijwel het hele bestand afgekeurden volgens nieuwe richtlijnen. Ook maakt hij voor de toekomst partiële arbeidsongeschiktheid onmogelijk.

In feite komt het erop neer dat grote aantallen oude en nieuwe arbeidsongeschikten versneld in de bijstand terecht komen en dus door gemeenten aan het werk geholpen moeten worden. Dat werk is er echter nauwelijks en de gemeenten zitten krap bij kas. Te voorzien is een snelle welvaartsafname van de betrokkenen die tot flinke bestedingsuitval en consumentenonzekerheid zal leiden. Eén van de zegeningen van het sociale verzekeringsstelsel was juist dat er tijdens een economische recessie een `belegde' bodem in de bestedingen aanwezig bleef. Bovendien wordt mirabile dictu in het nieuwe WAO-stelsel de premielast als gevolg van de voorgenomen privatiseringen zelfs hoger. Nieuwe uitleg van het kabinet is hier overbodig. Er rest maar ééen advies: stop ermee.

Is Nederland wel zo werkschuw als het kabinet denkt? Van Wijnbergen constateerde dat tijdens de hoogconjunctuur hier weinig van is gebleken aangezien het beroep op de WW destijds spectaculair afnam. Inmiddels heeft het kabinet op dit punt gelukkig gas teruggenomen, maar de veronderstelling van een werkschuw volk wordt steeds door verschillende ministers verwoord. Nu wil men tijdelijke kortingen op de uitkeringen van langdurig werklozen en bijstandsgerechtigden. Wie ook maar enige ervaring met deze doelgroep heeft, weet dat de arbeidsmogelijkheden voor deze mensen beperkt zijn. Juist alle gesubsidieerde banen die bij een lage arbeidsproductiviteit passen zijn door het kabinet afgeschaft, evenals de premiekortingen voor werkgevers. De lijn die zich aftekent is: wie een lage arbeidsproductiviteit heeft zal navenant betaald worden.

Dat is een Amerikaanse wijze van denken, waar mensen die het tegenzit snel kunnen afglijden tot de bedelstaf. Moet Nederland in alle opzichten een voorbeeld nemen aan een land waar van wc-juffrouwen het fooiengeld kan worden afgepakt? Is het werkelijk zo dat onze sociaal-liberale traditie zijn tijd heeft gehad? Uit allerlei berekeningen van de oppositie blijkt dat er genoeg betaalbare varianten zijn om mensen die niet marktconform inzetbaar zijn, toch deel te laten nemen aan het arbeidsproces. Die oefening in dualisme is echter binnen de huidige verhoudingen te veel gevraagd.

Door verschillende economen wordt er verder op gewezen dat minister Zalm zijn naam als tegen de sterke stroom inzwemmende vis geen eer aandoet, aangezien hij vooral vrolijk met de conjunctuurgolven mee zwemt en deze eerst met belastingverlaging en vervolgens met recordbezuinigingen versterkt. Nu kan Zalm geen slecht boekhouderschap worden verweten, maar macro-economie is meer dan dat. Zonder in de Keynesiaanse begrotingspolitiek terug te hoeven vallen zou Zalm zich toch wel meer van macro-economische inzichten moeten aantrekken. Een maximering van de hypotheekaftrek, zoals onder anderen door Eduard Bomhoff wordt bepleit, zou bovendien de economische bergen en dalen kunnen nivelleren. In die zin voert Zalm – en met hem de VVD – een fiscaal beleid dat de hogere inkomens consequent bevoordeelt. De middengroepen dreigen echter in de knel te komen. Van juist die groepen zal in de komende jaren een innovatieve houding worden gevraagd.

De levensloopregeling – het sociale stokpaard van het CDA – blijkt volgens financiële deskundigen vooral rijke oudere mannen te bevoordelen. De Rabobank kondigde alvast aan deelname aan de regeling af te raden. Bij het afbouwen van de collectieve VUT wordt bovendien de vergrijzing versneld door mensen van 55 jaar en ouder te ontzien. Als het CPB adviseert deze groep vooral te stimuleren om aan het werk te blijven door het mogelijk te maken de VUT-gelden ook na de pensioensgerechtigde leeftijd op te nemen, wordt directeur Don op het matje geroepen. Zijn de verhoudingen dan niet zoek? Zo is het ook de vraag of minister De Geus het negatieve advies van de Raad van State hierover zomaar naast zich neer kan leggen.

Rick van der Ploeg kritisieerde het nieuwe zorgstelsel dat op een vorm van overgereguleerde marktwerking neerkomt, een hybride waar we weinig positieve ervaringen mee hebben opgedaan (Opiniepagina, 13 oktober). Als er geen echte concurrentie mogelijk is omdat vrije toe- en uittreding – met contractvrijheid – in feite ongewenst en wettelijk onmogelijk is, leidt een dergelijk stelsel vooral tot verdere bureaucratisering en onvrede bij de burger die de ene noodmaatregel na de andere – al dan niet volledig – zelf moet gaan betalen. Ook deskundigen uit de branche voelen in het algemeen weinig voor de plannen van het kabinet.

De bezuinigingen op het onderwijs zijn gelukkig ingetrokken, maar hoopgevend waren de plannen niet. Het frisse talent van Mark Rutte kon kennelijk met weinig beters komen dan meer betalen en sneller afstuderen, zoals hij even tevoren als staatssecretaris voor Sociale Zaken voor bijstandsgerechtigden weinig meer dan hulp in de huishouding kon verzinnen. De mogelijkheden voor her-, om- en bijscholing werden in zijn plannen door kostenverhogingen bemoeilijkt. Dat was weer precies het eenzijdige bedrijfseconomische denken waar het onderwijs nu al decennia last van heeft.

Nu pas komt de Onderwijsraad erachter dat schaalvergroting door leerlingen, ouders en leraren veelal ongewenst wordt gevonden en in een rapport van de WRR is aangetoond dat investeringen in het mega-onderwijscircus vrijwel alleen ten goede zijn gekomen aan de grote bestuursapparaten en nauwelijks aan de man of vrouw voor de klas. Bezieling is nu eenmaal niet te koop per vierkante meter onderwijsgebouw. Op het ministerie moge volgens minister Van der Hoeven dan geen graaicultuur heersen, maar waar die merkwaardige gratificaties en prestatiebeloningen aan verdiend waren, heeft zij niet kunnen uitleggen. Het moet op het ministerie – ooit symbool van degelijkheid – moeilijk werken zijn als vrijwel alle in gang gezette grote vernieuwingen contraproductief zijn gebleken. Was het idee van marktwerking in het onderwijs wel zo'n goed idee voor de beschaving?

Hoe dit alles zij: het kabinet-Balkenende kan geen gebrek aan consistentie en daadkracht worden verweten. Maar is het ook in staat zijn lange termijn doelen te verbinden met intelligente, duurzame oplossingen? Zijn de ministers zelf hiertoe in staat? Rekruteren zij de wetenschappelijke top van Nederland wel voldoende en zijn zij bereid te luisteren naar redelijke argumenten? Zelden heeft een kabinet minder steun gehad. Misschien maakt de ziekteperiode van Balkenende duidelijk dat het niet verstandig is op dezelfde voet verder te gaan.

Jan Drentje is historicus.