Relsupporters makkelijk te raken

Voor de aanpak van supportersgeweld zijn voldoende juridische instrumenten aanwezig. De KNVB en de clubs moeten die eindelijk eens gaan benutten, vindt Jan Smits.

Het is weer zover: met het begin van het voetbalseizoen gaat bijna geen week voorbij zonder supportersgeweld. Afgelopen zaterdag waren het opnieuw de spreekkoren en zonder twijfel zullen zich de komende maanden nog incidenten van andere aard voordoen. Daarmee is ook het gesteggel weer begonnen tussen politici, clubs en de KNVB over de vraag hoe dit te voorkomen.

In het vorige seizoen was daarvan het `hoogtepunt' de discussie naar aanleiding van de rellen bij de wedstrijd ADO Den Haag-Ajax. De KNVB was toen verontwaardigd over de suggestie van de Haagse burgemeester Deetman dat de bond veel te laks optreedt tegen verstoringen van de openbare orde. Maar volgens de KNVB zou het juist de politie zijn die weigert op te treden uit angst voor (een nog ernstiger) verstoring van de openbare orde. Tijdens de wedstrijd ADO Den Haag-PSV van afgelopen zaterdag handelde Deetman zelf en staakte hij definitief de door discriminerende spreekkoren ontsierde wedstrijd. Ook die beslissing is gekritiseerd: volgens diverse Tweede-Kamerleden zou niet de burgemeester moeten ingrijpen, maar moeten de clubs zelf dit soort (verbaal) geweld voorkomen.

Deze discussie past in een patroon: de bij de bestrijding van supportersgeweld betrokken partijen spelen elkaar de zwartepiet toe en lijken niet zelf verantwoordelijk te willen zijn voor een effectieve aanpak. De politiek wijst naar de KNVB en de clubs, en de KNVB wijst naar de politiek. Zo gaat het al jaren en zo zal het vast nog jaren gaan, als niet een fundamenteel andere weg wordt ingeslagen. Die weg ligt zo voor de hand dat het mij een raadsel is waarom de KNVB en de clubs die niet eerder hebben bewandeld. Een aparte Voetbalwet is niet nodig. Het enige wat vereist is, is de wil bij de KNVB én de clubs om het supportersgeweld echt aan te pakken.

Tot op heden hebben de KNVB en de clubs in hoge mate vertrouwd op de overheid bij het bestrijden van geweld op en rond de voetbalvelden. Een politiek van zero tolerance door de overheid zal zeker zijn vruchten afwerpen. Dat bewijst het Belgische voorbeeld: sinds daar in 2003 stadionverboden van vijf jaar en geldboetes tot 5.000 euro zijn ingevoerd, hebben de hooligans eieren voor hun geld gekozen; in België krijgt bijvoorbeeld iedereen die op de tribune zijn middelvinger opsteekt, een administratieve boete van minimaal 250 euro. Maar ook zonder die zero tolerance biedt het huidige recht de KNVB (en de clubs) alle mogelijkheden om het gewenste effect te bereiken. Dat effect bestaat er in dat kwaadwillende supporters worden getroffen waar hen dat het meeste raakt: in hun voetbalhart of in hun portemonnee. Die `bestraffing' kan op eenvoudige én betere wijze plaatsvinden via het privaatrecht dan via strafrecht of administratief recht. Via het privaatrecht kunnen immers de in Nederland heersende maatschappelijke opvattingen (die voetbalgeweld veroordelen) relatief eenvoudig worden afgedwongen.

In de eerste plaats kan elke hooligan die schade veroorzaakt aan het stadion of aan andere zaken, of die letsel toebrengt aan andere personen, privaatrechtelijk worden aangesproken tot betaling van schadevergoeding. Anders dan via andere juridische methoden behoeft dan niet eens voor elke individuele schadetoebrenger te worden bewezen dat hij of zij de schade zelf heeft veroorzaakt. Indien een groepje relschoppers schade of letsel toebrengt, is volgens ons Burgerlijk Wetboek elk lid van dat groepje aan te spreken tot de volledige schadevergoeding (soms inclusief smartengeld). De aangesprokene moet vervolgens zelf maar zien hoe hij een deel van de door hem betaalde schadevergoeding terugkrijgt van zijn collega-relschoppers. Dat gearresteerde supporters door de politie vaak weer snel op vrije voeten worden gesteld, belet niet dat zij wél privaatrechtelijk moeten betalen. Maar dan moet de club (of als vertegenwoordiger van de club de KNVB) hen wél aanspreken.

Ten aanzien van stadionverboden maakt de KNVB al gebruik van de privaatrechtelijke weg. Iedereen die een kaartje koopt voor een wedstrijd in het betaald voetbal, kan volgens de bij dat kaartje behorende algemene voorwaarden in geval van wangedrag de toegang tot het stadion worden ontzegd. De huidige praktijk is echter dat de KNVB dat alleen doet als zij de persoonsgegevens van aangehouden relschoppers krijgt doorgestuurd van het openbaar ministerie (wat lang kan duren) en bij een inbreuk op het verbod wordt ook eerst weer aangifte gedaan bij de politie. Wie het privaatrecht op die manier benut, maakt het zich wel erg moeilijk. Wie zich niet houdt aan de regels in het stadion (zoals een verbod op kwetsende spreekkoren) of een al bestaand stadionverbod negeert, kan eenvoudig door de KNVB (of de club) direct de toegang tot het stadion worden ontzegd. Bovendien kan bij overtreding van de stadionregels een (private) boete worden opgelegd (de ervaring leert dat getroffen worden in de portemonnee een effectief preventiemiddel is).

Ten slotte zijn er de terecht als zeer hinderlijk ervaren kwetsende `spreekkoren'. Wie zich daaraan schuldig maakt, kan niet alleen de toegang tot het stadion worden ontzegd, maar kan ook worden aangesproken tot schadevergoeding. Het staat immers buiten kijf dat spreekkoren onder omstandigheden onrechtmatig zijn en aanleiding kunnen geven tot een vordering tot smartengeld. Ook lijkt mij denkbaar dat het de KNVB is die als belangenbehartiger van de door die spreekkoren getroffen personen een civiele actie instelt. Nogmaals: bewijzen dat een individuele supporter zich schuldig maakte aan het zingen van uiterste grievende teksten, is niet nodig zolang maar één lid van de groep kan worden geïdentificeerd.

Mijn conclusie: de KNVB (en de clubs) kunnen een actiever optreden van de overheid moeilijk verwachten als zij de thans voor hen al royaal aanwezige juridische instrumenten zelf niet benutten. Bestrijding van voetbalgeweld is niet primair een zaak van de overheid, maar van de KNVB. Maar die moet dan wel gebruik willen maken van de bestaande instrumenten.

Jan Smits is hoogleraar Europees Privaatrecht aan de Universiteit Maastricht.