Dwalen in het duister van de wereldoliemarkt

Olie, dat nu recordprijzen neerzet, is de meest invloedrijke grondstof ter wereld. Des te meer verbazingwekkend dat niemand het fijne weet van zoiets elementairs als vraag en aanbod.

Laag is hij, en laag zal hij blijven. Dat was de overtuiging van internationale olie-experts en de grote oliemaatschappijen zelf rond de jaarwisseling van 1998 op 1999. De Azië-crisis smeulde na, en de Wereldbank waarschuwde dat het de getroffen Aziatische landen nog jaren zou kosten om de zware depressie die de regio had geteisterd te boven te komen. Ruslands financiële crisis van het najaar van 1998 had het land er toe genoopt de olieproductie fors op te voeren. Het aanbod van olie overtrof de geprojecteerde vraag, en de prijs kelderde naar rond de 10 dollar per vat. Bij oliemaatschappij Shell werkte toenmalig topman Moody-Stuart met een vijfjarenstrategie op basis van een olieprijs van 14 dollar per vat.

Slechts anderhalf jaar later, in de herfst van 2000, bleek de stemming geheel gekeerd. Olie was op weg naar 40 dollar per vat en de internationale financiële gemeenschap maakte zich tijdens de vergaderingen van het Internationaal Monetair Fonds en de G7 in de Tsjechische hoofdstad Praag publiekelijk zorgen over de gevolgen van de extreem hoge olieprijs voor de wereldeconomie. De wereld moest zich voorbereiden op een blijvend hoge olieprijs.

Het tegendeel bleek. Dure olie speelde, samen met het spatten van de investeringszeepbel van de Nieuwe Economie in het Westen de hoofdrol bij de recessie die een jaar daarna volgde. In lijn met de inzakkende de economische groei, daalde olie vervolgens naar 17,15 dollar per vat in november 2001. De overheersende mening toen? OPEC zou blij mogen zijn als het de prijzen op wist te krikken naar de verlangde bandbreedte van tussen de 22 dollar en 28 dollar.

Nu, weer drie jaar later, breekt de prijs van olie alle records. Gisterochtend brak Amerikaanse WTI-olie voor het eerst in de geschiedenis door de grens van 55 dollar per vat, hoewel in de loop van de dag en vanmorgen een flinke daling volgde.

Brent-olie, altijd een paar dollar goedkoper dan WTI, deed vanmorgen 48,20 dollar voor levering in december. We moeten, zo klinkt nu, rekening gaan houden met een blijvend hoge prijs van olie.

Wat is de moraal van de olieprijsgeschiedenis van de afgelopen tien jaar? Allereerst die van de prognose. Het lukt de oliewereld zelf maar zeer ten dele om zich bij zijn voorspellingen te onttrekken van de prijs die heerst op het moment dat de voorspelling wordt gedaan. Dat geldt overigens ook voor de prijsvorming op de oliemarkt zelf. Het termijncontract voor levering in december 2005 noteerde vanmorgen 43,19 dollar. Als het aan de markt ligt, blijft de prijs dus zeker een jaar ruim boven de 40 dollar. Maar een jaar geleden noteerde het termijncontract voor levering in december 2004, dus over twee maanden, 24 dollar. Tot zover de voorspellende gaven van de markt.

De perikelen rond de olieprijs leggen een van de grootste geheimen van de wereldeconomie bloot. Bij een prijs van 30 dollar slokken uitgaven aan olie zo'n 3 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product op: olie is mondiaal de grootste individuele kostenpost. Maar wie dacht dat vraag en aanbod van olie, gezien dat enorme belang, netjes dagelijks in kaart worden gebracht komt bedrogen uit. Landen van OPEC, de organisatie van olieproducerende en exporterende landen die goed is voor zo'n derde van de productie, beschouwen hun productiestatistieken als een staatsgeheim. De markt zelf moet het doen met schattingen van OPEC zelf, van het Internationaal Energie Agentschap, dat werd opgericht na de oliecrisis van 1973, en van een baaierd aan andere ramingen, tellingen en educated guesses. Zo zijn er professionele `tankertellers', die via satellietobservaties bijhouden welke tanker waar laadt, waar naartoe vaart, en waar lost.

Aan de vraagkant overheerst een even grote onzekerheid. De majeure nieuwe factor is het snel groeiende China, dat verantwoordelijk wordt gesteld voor de nieuwe, exploderende vraag naar olie die de prijs nu zo hoog opdrijft. Maar hoeveel olie China gebruikt, is hoogst onzeker. De ontwikkeling van China's vraag naar olie wordt afgeleid van de economische groei die het land doormaakt. Ironisch is dan ook dat de Chinese economische statistieken zelf zo onbetrouwbaar worden geacht, dat er economen zijn die de economische groei van China juist proberen af te leiden van de energieconsumptie.

Zo leeft de markt met schijnzekerheden. Gisteren maakte OPEC bekend dat het schat dat de wereldwijde vraag volgend jaar niet met 1,74 miljoen vaten per dag zal stijgen, maar met 1,61 miljoen vaten. Dat is dus 130.000 vaten minder op een totale vraag van 83,41 miljoen vaten per dag. Dat verschil komt neer op 0,16 procent van de wereldwijde vraag, en ligt zeer ruim binnen de waarschijnlijkheidsmarges die zo'n totale vraagschatting heeft. Toch veroorzaakte het bericht een prijsdaling van 2,3 procent op de oliemarkt.

Waarom de belangrijkste grondstoffenmarkt ter wereld het moet doen zonder betrouwbare data blijft een raadsel. De G7, de belangrijkste industrielanden plus China, riepen vorige maand dan ook op tot `grotere transparantie', te meer omdat het tekort aan data de speculatie alleen maar heviger maakt. Tot die transparantie er komt, dwalen producenten, handelaren en eindgebruikers door het duister van de wereldwijde oliemarkt.