De strijd van Goliath

Zesmaal Nederlands kampioen, viermaal Open Nederlands kampioen, Europees kampioen, driemaal derde bij het Europees kampioenschap en toch miskend als judotalent. Zo heeft Peter Adelaar, die het afgelopen weekeinde op 57-jarige leeftijd na een hartstilstand overleed, zich gevoeld. Altijd meende de Amsterdammer een ongelijke strijd te voeren, omdat hij niet dezelfde technische vaardigheden als zijn illustere voorgangers in het zwaargewicht Anton Geesink en Wim Ruska had, omdat hij anders was, omdat hij reusachtig groot (zo'n 2.14 meter) en zwaar (rond 140 kilo) was en er mede daarom zo onhandig uitzag.

Adelaar kreeg nooit de waardering en de aandacht die hij zo nodig had. In 1978 werd de judoka in Helsinki de eerste Nederlands Europees kampioen in het zwaargewicht na Geesink en Ruska. Vooral in de halve finale baarde hij opzien door het Franse judotechnische wonder Jean-Luc Rougé met een houdgreep tot opgave te dwingen. In de finale won hij vervolgens van de Hongaar Imre Varga, maar die zege was niet zo glansrijk als zijn triomf op Rougé.

Adelaar, die een jaar eerder derde was geworden op het EK (Rougé werd kampioen), had verwacht dat hij in Nederland onthaald zou worden als een held. Het eerbetoon viel hem zwaar tegen. Hij was geen Geesink en geen Ruska, zo moest hij ervaren. Adelaar vocht door, op weg naar erkenning. Hij trainde nog harder dan hij al deed om zijn technische gebreken en zijn te forse gestalte te compenseren. Aan de grond ontpopte hij zich tot een onverslaanbare judoka, mede door zijn worstel- en sambotrainingen met Chris Dolman. Adelaar werd nog tweemaal derde op het Europees kampioenschap. Meer zat er niet in.

Zonder bondscoach Peter Snijders, eens een judoka met de mooiste technieken ter wereld en vervolgens pedagoog in penitentiaire inrichtingen, was Adelaar niet aan de Europese top gekomen. Snijders was een vader voor hem. Hij kon zijn nog kinderlijke nukken en kuren aan, en schoolde hem tactisch en technisch. Snijders doorgrondde Adelaars gevoel minderwaardig te zijn. Ook met oud-judoka Ruska had Adelaar zo'n relatie. Samen voeren ze op Ruska's catamaran over Nederlands wateren en deelden daar hun ervaringen.

Wanneer Adelaar het moest opnemen tegen kleinere zwaargewichten, ervoer hij dat als een ongelijke strijd. Het publiek ziet graag David van Goliath winnen, zo leerde hij. Foto's van de reus die verliest van een kleine man, werden tot zijn verdriet vaker gepubliceerd dan foto's van Adelaar die wint. Hij voelde zich meer kermisattractie dan sportheld.

Adelaar werd gebruikt in een tv-reclamespot. De grote Adelaar in een fauteuil van zijn woonkamer die hondenvoer aan zijn pinchertje Wodan voert. De vrijwel ongeschoolde Adelaar moest wel, om geld te kunnen slaan uit zijn talrijke nationale en internationale titels. Judo was niet belangrijk en leverde geen geld op in die tijd.

Adelaar pleegde roofbouw op zijn lichaam om als judoka waardering te krijgen. Overdag trainen, dan portier in het nachtleven, waar men wel een robuuste gestalte met judoachtergrond kon gebruiken. Maar ook daar voelde hij zich miskend. Eerder uitgedaagd, omdat hij zo groot was en zo goed kon judoën. Hij voelde zich weleens vijandig bejegend, met juridische gevolgen van dien.

Na zijn judoloopbaan sleet hij 's zomers zijn dagen op het strand van Castricum, waar hij zeilbootjes en surfplanken verhuurde. Wanneer Adelaar werd herkend, antwoordde hij met Amsterdamse tongval krachtig en aandoenlijk `hé ouwe', en sjokte dan door, zoals hij dat altijd deed om zijn verlegenheid te maskeren. De laatste jaren verging het de Europees judokampioen van 1978 steeds slechter. Hij bezweek aan een hartstilstand, als een kampioen die meer aandacht na zijn loopbaan had verdiend dan menig medaillewinnaar van vandaag.