Bij vriendje of op computer?

Het meisje zat op de bank, ze zong een woordloos lied. De ochtendzon scheen naar binnen. Ze had de plek uitgekozen om de zon. Als het te meten was, dan zou de uitslag geweest kunnen zijn dat ze gelukkig was. Zo klonk ze, zo zat ze.

Kinderen kunnen er onverschillig neergegooid bijzitten. Met hier en daar een been. Ze had een van haar benen voor zich gevouwen. Met een viltstift maakte ze een tekening op haar dij. Verderop lag papier genoeg om tekeningen op te maken. Maar dan had ze haar benen moeten herschikken en uit de zon weg van de bank af moeten gaan. Beter zo, op een leeg been. Ze tekende visjes. Ze nam er alle tijd voor. Zingend in de zon. Een van de visjes was dood, zei ze later, het kwam van sigarettenrook. Die had ze ook getekend, sliertjes tussen de vissen.

Maar wat deed ze nu precies al die tijd op de bank? Welk werkwoord vertelt het? Was ze aan het spelen? Ik zou het me nooit afgevraagd hebben als ik geen knipsel kreeg toegestuurd over Belgisch onderzoek.

Een marktonderzoeksbureau vroeg in opdracht van het Mechelse Speelgoedmuseum aan ruim vijfhonderd ouders wat hun kinderen uitspoken. Een van de uitkomsten was dat kinderen veel tijd hebben om te spelen maar dat ze op doordeweekse dagen maar 94 minuten spelen. In het weekeinde iets meer. Het gemiddelde komt uit op 115 minuten spelen per dag. Jongere kinderen spelen wat meer dan oudere.

Verbazend weinig minuten. Het meisje (6) bij mij over de vloer speelt nooit niet. Behalve als ze slaapt of zit te poepen, hoewel ik bij dat laatste niet eens zeker ben dat het geen spelen heten mag, ze zingt er bij.

Wat doen dan Belgische kinderen al die minuten dat ze volgens het onderzoek niet spelen? Het Mechelse Speelmuseum legt het uit. Dan zijn ze bij vriendjes en dan kunnen de geënquêteerde ouders niet zien of ze spelen dus dat telt niet. Of ze kijken tv en dat wordt niet als spelen opgevat. Surfen op internet ook niet. Een computerspel spelen weer wel. 90 procent van de Belgische kinderen heeft een computerspel en drie kwart speelt er graag mee.

Menig oudere wijsneus zal betwijfelen of dat wel zo goed is voor het kind, of computeren wel spelen is. Maar de speelgoedindustrie en de handel vinden dat een kind er niet vroeg genoeg bij kan zijn. Met hulp van de handel is zojuist de eerste spelcomputer voor kinderen van net drie jaar oud uitgeroepen tot Speelgoed van het Jaar. Hij kost ongeveer 80 euro in de speelgoedwinkel, losse spellen er bij kosten 23 euro.

Het is een gebobbelde machine zonder scherpe hoeken en randen, uitgevoerd in oranje en lila met ferme knoppen en een forse joystick. Hij moet aangesloten worden op een tv en in de V-smile – zo heet hij – moet een cassette. De peuter kan dan Winnie de Poeh (de Disney-variant) op het beeldscherm vlinders laten vangen in een netje. Of over een kei laten struikelen. Als het spelertje iets goed doet zegt de tv `slimmerik' tegen hem, dus dat hoeft vader niet meer te zeggen.

Technisch goed uitgevoerd, de spelcomputer kan zo tegen de muur worden gegooid, hij zal niet gauw stuk gaan en het is moeilijk om er iemand mee te verwonden. Het bedieningspaneel met knoppen en joystick kan met een slim ontworpen slotje voor zowel links- als rechtshandigen worden ingesteld.

Een kind is er makkelijk 23 minuten mee zoet. De eerste keer. Maar eigen onderzoek leert dat het daarna toch weer liever een tekeningetje maakt op een dij. Men zou eens moeten onderzoeken hoeveel minuten spelen men in de speelgoedwinkel koopt. De Belgische krant De Morgen: `Ouders kopen speelgoed waar kinderen nauwelijks mee spelen.'