Wel nieuw licht in klimaatdiscussie

Mark Hertsgaard construeert een gekunsteld verband tussen de toekenning van de Nobel-vredesprijs aan de Keniaanse milieubeschermster Wangari Maathai en kritiek op de weigering van de VS om het Kyoto-verdrag te ratificeren (Opiniepagina, 13 oktober). Voor de zoveelste keer worden de hersens van de lezer gespoeld met de stelling dat het klimaatprobleem de grootste bedreiging is waarvoor onze beschaving ooit heeft gestaan. Hierbij worden de Britse premier Tony Blair en zijn wetenschappelijk adviseur, David King, en zelfs Shell-topman Ron Oxburgh als gezaghebbende bronnen aangehaald.

Het zou echter de voorkeur hebben gehad indien Mark Hertsgaard de wetenschappelijke literatuur wat beter had bijgehouden, want daarin kan men gelukkig maar geen bevestiging vinden van dit alarmisme. Integendeel, de kritiek op de antropogene (door de mens veroorzaakte) broeikashypothese zwelt aan.

Allereerst moet worden beklemtoond dat het `Intergovernmental Panel on Climate Change' (een soort netwerk van voornamelijk klimatologen, dat periodiek bij elkaar komt om een inventarisatie te maken van de vorderingen op het gebied van de klimaatwetenschappen) in zijn laatste `Summary for Policymakers' de twijfels waarmee hun nog relatief jonge wetenschap worstelt, eerlijk heeft toegegeven. Maar dat is niet alles.

Inmiddels verschijnen er aan de lopende band publicaties die wijzen op de tekortkomingen van de antropogene broeikashypothese. De meest gedurfde alternatieve hypothese is misschien wel die van de Nederlanders Arthur Rörsch en Dick Thoenes, alsmede een Engelsman, Richard Courtney (zie komend nummer van SPIL). Zij zijn van oordeel dat de temperatuur bepalend is voor de CO2-concentratie in de atmosfeer, en niet andersom, zoals dat volgens de antropogene broeikashypothese het geval is. Met andere woorden een omgekeerde causaliteit dus! Uiteraard zal een dergelijke revolutionaire these nog veel discussie vergen.

Hans H.J. Labohm is verbonden aan het Instituut Clingendael.