Rechtbank volgt versie van Eric O.

De vrijspraak van Eric O. betekent dat de geweldsinstructie voor uitgezonden militairen hen wel degelijk de mogelijkheid biedt om zich te verweren.

Het is historische jurisprudentie, de vrijspraak vanmorgen door de militaire strafkamer in Arnhem van Eric O.. De sergeant-majoor der mariniers moest zich verantwoorden voor een afgeketst waarschuwingsschot dat hij op 27 december afvuurde en naar alle waarschijnlijkheid een Irakees dodelijk verwondde. Alleen al daarmee schreef hij geschiedenis. Niet eerder sinds het afschaffen van de militaire krijgsraad in 1991 heeft een rechter zich moeten buigen over geweldgebruik van een Nederlandse militair tijdens een `crisisbeheersingsoperatie'.

De rechtsgang in Arnhem is op het ministerie van Defensie in Den Haag met argusogen gevolgd. Want daar waar het in het verleden niet of nauwelijks voorkwam dat Nederlandse militairen gedwongen worden de trekker van hun wapen over te halen, zijn er bij de missie in Irak al verschillende Irakezen gedood door Nederlands vuur. In die zaken was het volgens het openbaar ministerie overduidelijk dat de schietende militairen geen keus hadden, en volgens de regels hadden gehandeld.

Sergeant-majoor der mariniers Eric O. heeft dat níet gedaan, aldus het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie eiste twee weken geleden zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 24 uur dienstverlening tegen Eric O. wegens het overtreden van de zogeheten `geweldsinstructie'. Volgens het OM had O. geen waarschuwingsschoten mogen lossen in de richting van een hem naderende groep Irakese plunderaars. Dit laatste riep de vraag op of de zogeheten rules of engagement, waarvan de geweldsinstructe deel uitmaakt, de Nederlandse militairen wel voldoende ruimte biedt om op te treden onder chaotische, en de laatste maanden steeds gevaarlijker wordende, omstandigheden in Irak.

Uit een uitgelekte brief van het hoofd van het OM, Joan de Wijkerslooth, trokken sommige media de conclusie dat Nederlandse militairen in Irak eigenlijk helemáál geen geweld mochten gebruiken, ook niet als hun eigen veiligheid in het geding was. Minister van Justitie Donner en minister van Defensie Kamp moesten een ongeruste Tweede Kamer tijdens een spoeddebat overtuigen van het tegendeel. De geweldsinstructie, zo verzekerde Kamp de Kamer, was heel `robuust'.

Het vonnis van vandaag lijkt die conclusie van de minister te onderschrijven. Alhoewel er volgens de rechtbank nog geen sprake was van een concrete dreiging tegen Eric O. en zijn mannen, ,,kon en mocht'' de sergeant-majoor er vanuit gaan dat ,,de situatie zich in korte tijd zodanig kon ontwikkelen dat de veiligheid van de eenheid rechtstreeks in gevaar kwam'', aldus de rechtbank. Deze ,,potentiële dreiging'' rechtvaardigde het gebruik van ,,niet-dodelijk geweld'', in de vorm van de twee waarschuwingsschoten die Eric O. naar eigen zeggen afvuurde: één in de lucht, en één in de grond.

Dat de tweede kogel naar alle waarschijnlijkheid afketste en de 32-jarige Abdullah Moushar Aadhafa dodelijk verwondde, valt de sergeant-majoor niet aan te rekenen, zo oordeelt de miltiaire kamer. Volgens de rechtbank blijkt uit de verklaringen van Eric O. ,,er honderd procent van overtuigd wilde zijn'' dat hij de hem naderende groep Irakezen niet zou treffen.

Uit dat laatste blijkt al dat de rechtbank groot gewicht heeft gehecht aan de getuigenis van Eric O. zelf, die altijd heeft volgehouden dat zijn groep door de Irakezen dreigde te worden overlopen. Dit óndanks het feit dat veel mariniers, die aanvankelijk hun commandant steunden, die lezing tijdens hun verhoor in de rechtbank niet overeind konden houden en ook over de verklaringen van O. zelf – in de woorden van de rechtbank – ,,enkele vraagtekens'' blijven bestaan. In haar motivatie stelde de rechtbank vanmorgen dat van een militair die tijdens de missie de trekker overhaalt niet méér kan worden verwacht dan dat hij ,,een op zichzelf niet onaannemelijke verklaring'' geeft voor zijn handelen.

Die conclusie is in overeenstemming met ,,eerdere uitspraken van krijgsraden'', zo stelde de rechtbank. Niettemin heeft de militaire kamer met de uitspraak van vanmorgen een belangrijk voorschot genomen op de beoordeling van `schietincidenten'. Een militair die tijdens een vredesmissie geweld gebruikt doet dat met goede reden – tenzij er hele duidelijke aanwijzingen zijn voor het tegendeel.