Leven en medeleven

Soms kijk je naar de televisie en dan schrik je. Niet zozeer omdat er alweer allerlei verschrikkelijks is gebeurd, al kun je daar ook erg van schrikken, maar vooral omdat je dat even vergeten was. Ineens zegt iemand: ,,kom, even de televisie aan voor het nieuws'' en dan zijn er meer dan honderd Palestijnen dood of er is iemand doodgeschopt in Leeuwarden, iemand onthoofd in Irak.

Hoewel de laatste moord daar, op de Engelsman Kenneth Bigley, moeilijk uit het hoofd te zetten is. We weten er zoveel over. Hoe hij nog een paar uur ontsnapt is. Hoe hij in doodsnood smeekte om hulp, ingrijpen, het inwilligen van de eisen van de misdadigers die hem wilden vermoorden. Hoe bang moet die man geweest zijn, wat een verschrikkelijke dagen waren zijn laatste. En dan zo'n executie je wilt er absoluut niets van zien, maar toch maak je je soms voorstellingen van de laatste momenten, het mes, de pijn. Een onthoofding is zo veel gruwelijker nog weer dan `gewoon' doodschieten. Onthoofden is vernederender voor het slachtoffer, dat is natuurlijk ook de bedoeling, en ongetwijfeld is het veel pijnlijker. En bovendien is het onaanvaardbaarder dat mensen zoiets doen, iemand vasthouden, een mes pakken enzovoort, dan het afstandelijkere en `schonere' schieten. Niet voor niets is de elektrische stoel uitgevonden, niet voor niets hebben doktoren die euthanasie plegen gif ter beschikking.

Dit gaat hard, te hard, want een dokter en een doodzieke patiënt hebben niets te maken met misdadigers die burgers onthoofden, maar de gedachten nemen soms snelle sprongen en willen zich dan met alle manieren van niet natuurlijk doodgaan bezighouden en vergelijken alsof je er verstand van had, alsof je werkelijk duizend doden zou kunnen sterven.

Dat Kenneth Bigley zoveel meer indruk maakte dan de verschillende andere slachtoffers van misdadige bendes komt natuurlijk door de details. We hebben hem zien praten, we hebben zijn angst gezien, we hebben gehoord wat hij dacht, hoopte, vreesde, hij is geen naam meer maar een mens.

En toch is het ook mogelijk geweest om lang niet aan hem te denken in de dagen dat hij gevangen zat en wachtte op zijn executie. Misschien hebben zelfs zijn naaste verwanten af en toe wel even niet aan hem gedacht. Het is bijna onmogelijk om onafgebroken aan iets of iemand te denken hoewel een bepaalde zeurende ondertoon niet weggaat als er echt iets ergs is dat je persoonlijk treft. Dat laatst is niet onbelangrijk, al die dingen die ons niet persoonlijk aangaan kunnen ons steeds weer overvallen bij het aanzetten van de televisie wát, zoveel doden, zo'n orkaan, zo'n weerzinwekkende moord terwijl je, als je eigen huis weggeblazen zou zijn door een orkaan, aan niets anders zou denken en terecht zou vinden dat een grote ramp je getroffen had. Wie naar het nieuws kijkt, vindt zo'n orkaan al gauw heel wat minder belangrijk dan al die andere dingen. Die mensen leven tenminste nog zeg je achteloos, en dat is ook waar, misschien zeggen die mensen dat zelf ook wel ter vertroosting, we leven tenminste nog, maar intussen voelen ze zich wel volkomen verloren.

Hoe goed we weten wat belangrijk leed is en wat minder belangrijk. Als het om anderen gaat. Vooral als die anderen een beetje ver weg wonen.

Je wilt eigenlijk zo niet zijn. Hoe kan ik leven en me druk maken over duizenden kleinigheden terwijl ik weet dat intussen deze dingen gebeuren? Hoe kan het dat de televisie die aangezet wordt me een schok bezorgt, hoe kon ik dat alles een poosje niet zozeer vergeten zijn alswel volkomen uit mijn gedachten hebben gebannen?

Het antwoord is vast dat je wel zult moeten wil je leven. Of je moet je leven veranderen en iets gaan doen wat lang niet iedereen kan: hulpverlener worden, verpleegkundige, soldaat met geloof in de eigen missie, en de nood van anderen gaan lenigen. Maar dat doen de meesten van ons niet omdat er nu eenmaal ook andere dingen gedaan moeten worden in de wereld die we wel zo lief doen. Of die we evenmin graag doen maar die nu eenmaal op onze weg zijn gekomen.

Het meegevoel wordt door alles wat we kunnen weten overvraagd. De televisie en de kranten lichten ons niet alleen in, maar lijken ook een beroep op ons te doen, een beroep op onze hulpvaardigheid, ons inlevingsvermogen, ons vermogen om de dingen te veranderen. Alsof ze zullen veranderen.

Laatst zei iemand dat hij het moeilijk vond om te geloven in de begaanheid of betrokkenheid van iemand die zelf een vreugdesprongetje maakt bij, bijvoorbeeld, het vooruitzicht van een fijne picknick. Hoe kan je geloofwaardig wakker liggen van andermans lot, en zelf welgedaan beweren dat een geroosterde makreel een vorm van geluk is?

Dat is geen slecht punt. Hoe kan je geloofwaardig leven, überhaupt?

Ooit was ik een beetje geschokt toen ik las dat Etty Hillesum in Westerbork hoopte dat ze niet tegelijk met haar ouders en broer op transport zou hoeven. Omdat het, schreef ze, makkelijker is op afstand voor iemand te bidden dan hem naast je te zien lijden. Later ben ik dat gaan begrijpen. Het is een onaangename waarheid, maar wel een waarheid, dat we kunnen leven door níet voortdurend aan anderen te denken. Dat je je kunt verheugen over een malse lamsschouder zonder een moment aan een verwoest Palestijns dorp te denken, dat Kenneth Bigley sterft terwijl ik diep ademhaal van vreugde om het wijde landschap dat zich voor mijn ogen uitstrekt. En dan weer de krant, de televisie, het schuldgevoel, het medeleven. Belachelijk. Maar een feit.