Kunstbeurs Frieze doet Londen zinderen

Vandaag is de laatste dag van de kunstbeurs Frieze in Londen. Het is de tweede keer dat de beurs plaats- vindt. Hij geldt nu al als de belangrijkste voor moderne kunst in de wereld.

Zelfs de Britse stervoetballer David Beckham schijnt zich tegenwoordig voor moderne kunst te interesseren en zijn echtgenote een hartvormig schilderij van `young British artist' Damien Hirst cadeau te hebben gedaan.

Volgens de Art Council is in Londen de voorheen verwaarloosbare handel in ,,uitdagende moderne kunst'' de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot een markt waarin jaarlijks 700 miljoen euro omgaat. Hoe explosief die ontwikkeling ook is, het heeft achteraf bezien nog lang geduurd voordat de al jarenlang alom geroemde creativiteit van Britse kunstenaars een infrastructuur heeft gekregen. Pas vorig jaar openden grote internationale galeries als Gagosian, Sprüth Magers Lee en Hauser & Wirth filialen in de Britse hoofdstad. En vorig jaar ook beleefde de Frieze Art Fair zijn eerste editie.

Vorige week donderdag ging de kunstbeurs voor de tweede keer open, tot vanavond. De speculaties die aan de eerste editie voorafgingen en die vorig jaar met een omzet van twintig miljoen euro al werkelijkheid leken te zijn geworden, zijn nu definitief bewaarheid: Frieze Art Fair is inderdaad de toonaangevendste kunstbeurs van dit moment.

Alleen al de huisvesting van de beurs – een tentenconstructie middenin Regent's Park in plaats van de gebruikelijke excentrische beurshal – symboliseert het succes. Het aantal deelnemers is toegenomen van 124 tot 150 strenggeselecteerde galeries, verzamelaars uit de hele wereld hebben acte de présence gegeven, beroemdheden hebben zich verdrongen op de vernissage – alleen al goed voor elfduizend bezoekers. Het publiek heeft dagenlang tot vlak voor sluitingstijd rijendik de regen staan trotseren en Londen heeft de afgelopen dagen en nachten gezinderd van door galeries, kunstenaars en mecenassen georganiseerde recepties en feesten.

De jonge oprichters van Frieze Art Fair, Amanda Sharp en Matthew Slotover, hoofdredacteuren van het in 1991 opgerichte kunsttijdschrift Frieze, weten hoe ze opwinding moeten organiseren. En belangen moet laten samenvallen. Zo vaart het museum Tate Modern – waarvan de opening in 2000 in niet geringe mate heeft bijgedragen aan het moderne-kunstvriendelijke imago van de Britse hoofdstad en dat daarmee weer eens bewijst dat investering in cultuur loont – wel bij de kunstbeurs en vice versa. Uit een speciaal opgericht fonds, waarin vermogende verzamelaars dit jaar 150.000 pond stortten, worden op de beurs werken aangeschaft. Trotse vermeldingen in diverse stands zijn van die goedaardige belangenverstrengeling de stille getuigen.

Maar belangrijker dan alle bijkomende tamtam is dat ook deze tweede editie van Frieze een eigen gezicht laat zien. Het is alsof de deelnemers hebben afgesproken de grote klassieken maar eens thuis te laten. Warhol en LeWitt zijn er wel, maar zeer mondjesmaat. Ook fotografie wordt slechts op bescheiden schaal gebracht, de belangstelling voor schilderkunst en de mixed media-werken neemt zichtbaar toe. Tendensen daarbinnen zijn de tekening of het fijne penseelwerk op klein formaat, het papieren knipwerk, en de trompe l'oeil-achtige installatie. Het pasteuze schilderen heeft plaats gemaakt voor vlakke, vaak aan striptekeningen herinnerende, schematische beelden.

Opvallend is ook de kennelijke consensus over namen. Jack Pierson, Richard Prince, Julian Opie, Jonathan Monk, Lisa Ruyter, Sophie Calle, Jean-Marc Bustamante, Frank Nitsche en Raymond Pettibon, Paul Morrison zijn de alom vertegenwoordigde lievelingen van een voornamelijk in de jaren zestig geboren generatie.

In de fotografie zijn vrijwel uitsluitend namen als Struth, Ruff, Dijkstra, Mapplethorpe, Beecroft en Sherman overgebleven. En een piepklein tendensje op zichzelf is ook het citeren van een beroemde tijdgenoot: zowel de Japanse Mr. X als Michael Elmgreen en Ingar Dragset pasticheren de reeksen gekleurde stippen van Damien Hirst.

Minder opvallend maar zich even sluipenderwijs als onmiskenbaar opdringend is een zekere braafheid. Veel is mooi, esthetisch, aardig, vindingrijk, origineel, maar vrijwel niets is schokkend of is dat op de verkeerde manier, zoals de kerstman-parodie van Paul McCarthy. Het succes van het werk van Marcel Dzama is symptomatisch voor een waarschijnlijk ook naar keurigheid neigend publiek. Hij maakt elegante, priegelige oliewerkjes, die een fiks aantal galeries – ook buiten Frieze om – als warme broodjes verkoopt.

Het werk van de New Yorkse Lisa Ruyter is een tweede voorbeeld van een grote productie die gretig aftrek vindt. Haar in striplijnen van foto's nageschilderde doeken zijn zonder twijfel een tendens, maar wel één waarvan je je onmiddellijk afvraagt hoe lang ze zal duren.