Hoe gaan we straks verder in de wereld?

Wie ook president wordt in de VS, de EU moet met hem een dialoog aangaan over de problemen in het Midden-Oosten, meent E.P. Wellenstein.

In het wat naïeve idee, dat het publiceren van de opvattingen van de buitenwereld een nuttige bijdrage zal leveren aan het democratische gehalte van het presidentiële verkiezingsdebat in de Verenigde Staten, heeft het Britse dagblad The Guardian een interessant initiatief genomen. Samen met negen andere dagbladen over de hele wereld, van Canada en Australië tot Mexico. Tokyo, Seoul, Moskou, Parijs, Madrid en Israël, heeft die krant in de afgelopen weken opinieonderzoeken laten doen in de betrokken landen. Hieruit blijkt dat ook in traditioneel sterk met de VS verbonden landen, zoals de deelnemers aan de zogenaamde `coalitie' in Irak, kandidaat Kerry met een zéér ruime marge de voorkeur geniet. In Groot-Brittannië met 55 tegen 22, in Noord-Korea zelfs met 68 tegen 18, bijna evenveel als in Frankrijk. De enige uitzonderingen daarop zijn Israël (maar ook daar haalde Kerry nog 24, tegen 50 voor Bush) en Rusland (48 tegen 52).

Opmerkelijk, bij al het gepraat over `anti-Amerikanisme', is dat overal ruime meerderheden blijken te bestaan, en blijven bestaan, die veel waarde hechten aan goede relaties met de Verenigde Staten en dat land goed gezind blijven, hoezeer de buitenlandse politiek van president Bush ook wordt afgekeurd, en wel in toenemende mate, met Irak als focus.

Over twee weken weet de wereld wie de gigantische macht van de VS de komende vier jaar zal personifiëren en vormgeven. Ook als Kerry dat zou zijn, is hij vooreerst de gevangene van de feitelijke situatie `op de grond' in Irak. Wie er ook commander in chief wordt, op korte termijn zal hij weinig anders kunnen doen dan nieuwe fouten proberen te vermijden. Dat een krachtige opperbevelhebber daar met vastberadenheid alles ten goede kan keren, is een illusie. De verzetshaardshaarden daar met geweld uitroeien (met veel collateral damage, d.w.z. burgerslachtoffers) zal de haat verder aanwakkeren; dat níet doen maakt de interimregering machteloos in Sunnitisch gebied en representatieve verkiezingen onmogelijk.

De beste uitkomst is wellicht nog dat – zoals nu in Sadr-stad (Noord-Oost Baghdad) met vallen en opstaan gaande is – de interimregering haar tegenstanders `coöpteert'. Dat zal een machtsstructuur opleveren waarin figuren als Moqtada al-Sadr, een paar maanden geleden nog op de nominatie om door de Amerikanen berecht te worden, deel aan de macht hebben, evenals Sunni-leiders uit Falluja. Winst bij de verkiezingen – àls die al op een redelijke manier kunnen worden gehouden – zal voor tegenstanders van de Amerikaanse bezetting zijn. De Koerden zullen dat aanvaarden, als zij maar hun autonomie behouden. Hoe de verdeling van de olie-inkomsten over de verschillende delen van Irak zal worden geregeld, is dan nog een heel heet hangijzer. Dat is het `rosy scenario', dat zeer tactisch optreden zal vergen. Het andere scenario is toenemende chaos waarin een bezetter op den duur niets meer kan uitrichten.

Kerry's aanvankelijke idee, snel méér steun van bondgenoten te verwerven om Irak te pacificeren, is in deze situatie irrelevant. Meer buitenlandse troepen kunnen de situatie alleen maar verslechteren. Er is echter een ander `theater' waar dat wel een gunstig verschil zou kunnen maken: Afghanisan. Anders dan de oorlog in Irak heeft het verdrijven van de Talibaan en al-Qaeda altijd de steun van Amerika's bondgenoten (en van de Veiligheidsraad) gehad. Hamid Karzai, die in een door de VN georchestreerde procedure als voorlopig president is aangewezen, is zojuist, in een opmerkelijk goed verlopen verkiezing met een enorme opkomst, in zijn ambt bevestigd. De VS hebben er de NAVO aanvankelijk links laten liggen, maar het bondgenootschap heeft er nu duidelijke eigen verantwoordelijkheden, en die zou het nog veel robuuster waar kunnen maken, zoals Secretaris Generaal Jaap de Hoop Scheffer al maanden bepleit. Als echter aan de lokale heerschappij van de drugshandel gefinancieerde krijgsheren geen einde wordt gemaakt, kan president Karzai zijn gezag ook niet consolideren. Een tweede échec in Afghanistan zou, na het drama in Irak, voor de hele Westelijke wereld een zware slag zijn.

Maar er is nog een brandhaard die door de eindeloze fixatie op Irak verwaarloosd is: het steeds uitzichlozere Israëlisch-Palestijnse conflict met zijn fatale uitstraling in de moslimwereld, in het bijzonder het Midden-Oosten. Het is nauwelijks opgemerkt, maar Tony Blair verklaarde bij zijn aankondiging dat hij een volgende regeringstermijn vol wilde maken: `direct na 2 november stel ik het Israëlisch-Palestijnse probleem aan de orde'. Tenslotte zijn de VS, en president Bush persoonlijk, gecommiteerd aan een twee-staten-oplossing, samen met de EU, de VN en Rusland. Zou er in Europese hoofdsteden genoeg wijsheid over zijn om na de Amerikaanse verkiezingen een zinvolle dialoog met de verkiezingswinnaar tot stand te brengen over wat wel gezamelijk ondernomen zou kunnen worden in het belang van een veiliger wereld? Zal de dan verkozen Amerikaanse president zijn handen vrijer hebben (en willen hebben) om taboes van de verkiezingscampagne achter zich te laten en alle problemen in het Midden-Oosten vol onder ogen te zien? Blijkens de uitslag van de opiniepeiling van de tien bovengenoemde kranten zou een grote meerderheid van de Europese bevolkingen het toejuichen als de vruchteloze antagonismen van de laatste drie jaar in 2005 plaats konden maken voor een periode van hervonden samenwerking tussen de VS en het oude continent. Premier Balkenende heeft op de top van EU-regeringsleiders op 5 november a.s. al een ongezochte kans om sonderingen in gang te zetten over wat althans van Europese kant in die richting zou kunnen worden geprobeerd. Voor Blair zou het een verlossing zijn, voor Chirac en Schröder een kans om een constructieve rol te spelen op het wereldtoneel. Nederland moet niet pretenderen zoiets te regisseren, maar het kan als EU-voorzitter op een psychologisch cruciaal moment wél een paar constructieve ideeën aan met name de grotere spelers voorleggen. Je weet nooit.

E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal van de Europese Gemeenschap.