Geen politiewerk

Een vrijspraak wordt in de publieke opinie maar al te vaak afgeschilderd als ,,falen'' van het openbaar ministerie, constateerde minister Donner (Justitie, CDA) vorig jaar met enige bekommernis. De mensen zouden het echter juist als een succes moeten zien van een strafrechtsysteem waarin iemand niet op ontoereikende gronden wordt veroordeeld. Dat was een wijs woord. De minister van Justitie heeft zeker gelijk wanneer hij vindt dat het woord `misser' vaak wel erg makkelijk in de mond wordt genomen als het over het OM gaat. Maar nu is er toch echt reden voor: de vrijspraak van de marinier Eric O. wegens een schietincident vlak na Kerstmis vorig jaar in Zuid-Irak.

De inadequate aanpak van het openbaar ministerie begon al met de aanhouding wegens moord, een aanklacht die het ook heeft moeten laten vallen. De berechting draaide uiteindelijk om overtreding van een dienstvoorschrift, in casu de geweldsinstructie. Een belangrijke aangelegenheid voor militairen (en hun leiders) maar wel wat anders dan moord. Er zijn in Zuid-Irak andere Nederlandse schietincidenten geweest, waarvan enkele met dodelijke afloop, zonder dat dit aanleiding gaf tot een gerechtelijk spektakel waar niemand beter van is geworden.

Dat de zaak Eric O. zo is opgeblazen is niet in de laatste plaats toe te schrijven aan het onbesuisde optreden door het hoofd van het OM, procureur-generaal De Wijkerslooth. Hij zocht de televisie om de omstreden aanhouding te verdedigen. In een befaamd geworden rondschrijven aan het OM verdedigde hij dit omdat ,,over de Irak-zaak een verkeerd beeld dreigde te ontstaan''. Maar het was de super-PG zelf die daaraan bijdroeg door de militairen op missie in Zuid-Irak gelijk te stellen met politieagenten die hun wapen gebruiken. Een scheve vergelijking, zo blijkt nu wel uit de vrijspraak.

Daarmee is niet ontkend dat militaire vredesoperaties allerlei juridische vragen oproepen. Een vredesmissie is geen oorlog, constateerde de militaire rechtbank in het geval van twee soldaten die op wacht in slaap waren gevallen. Maar een feitelijke militaire bezetting, zeker vóór de soevereiniteitsoverdracht in Irak, is wel iets anders dan politiesurveillance. Dat laat een gat en zoiets pleegt een onweerstaanbare aanleiding te zijn voor departementaal getouwtrek, in dit geval tussen Justitie en Defensie.

Hoe lastig het voor de militair ter plaatse kan uitpakken, blijkt uit de constatering van de rechtbank dat het waarschuwingsschot van Eric O. niet conform de geweldsinstructie was, maar wel volgens de zogeheten Rules of Engagement. Die regels hebben in dit geval voor de rechters de doorslag gegeven. Zij houden het er verder bij dat men van een militair in omstandigheden zoals die in Zuid-Irak bestaan niet meer dan een ,,niet-onaannemelijke verklaring'' voor zijn handelen kan vergen. Over zo'n maatstaf valt in theorie nog wel wat te zeggen in een beroepsprocedure. Maar het beste is om, zoals de advocaat van de sergeant-majoor zei, een dikke streep te zetten onder deze onfortuinlijke affaire. Voor de justitietop rest nog wel een operatie lessons learned.