Wat voor bomen dan?

Niet Mohamed ElBaradei en zijn IAEA maar Wangari Maathai in Kenia kreeg de Nobelprijs voor de vrede. De internationale pers werd erdoor overvallen en moest inderhaast een dossiertje bij elkaar scharrelen. Maathai was milieuactiviste en ijverde voor vrouwenrechten en ze had de Green Belt Movement opgericht. Die plantte veel bomen: zelfgekweekte bomen om de ontbossing tegen te gaan en erosie te beperken. Wel 25 miljoen bomen, dacht de Financial Times. Nee, 30 miljoen meenden bijna alle andere kranten. Bomen voor brandhout en misschien ook timmerhout. En altijd inheemse bomen, want dat wou Maathai.

Maar wàt voor bomen dan? Daarover brak niemand zich het hoofd, een boom is een boom. Alleen de New York Times deed er een gooi naar: ficus trees or elms, stond er waaghalzig na het woordje `perhaps'. Vijgen en iepen om het eten op te warmen? Iepen in Kenia?

Op internet komen milieugroepen, NGO's en grassroots-organisaties ook niet veel verder. Maathai en haar groene-gordelbeweging planten ceders, acacia's, citrusbomen en vijgen. En natuurlijk ook bananen en baobabs. Alles bij elkaar ongeveer 10 miljoen. Het helderst is nog een rapport uit 2002 van de IUCN over `Forest landscape restoration' in Kenia. De gordelbeweging wìl wel inheemse bomen panten maar de lokale bevolking heeft liever snelgroeiend exotisch hout. Van de weeromstuit wordt een mix van inheemse en exotische bomen aangeplant.