Waarom Brussel zich met kaas bemoeit

Maakt de Europese Unie met te strenge regels de boeren het leven zuur, die van rauwe melk hun eigen boerenkaas willen maken? Een betrokken ambtenaar in Brussel spreekt van ,,nonsens''. Volgens hem wordt in de regelgeving welbewust ,,enige ruimte'' gecreëerd en is er juist van sprake van flexibiliteit.

Brussel maakt Europese regels omdat lidstaten anders eigen regels opstellen die misbruikt kunnen worden om producten van andere landen te weren. Ook enkele voedselcrises (BSE bijvoorbeeld) waren aanleiding om de regels voor hygiëne aan te scherpen.

De regels voor het gebruik van rauwe melk zijn vastgelegd in Verordening (EG) Nr. 853/2004 van 29 april 2004 inzake specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong. De nieuwe verordening volgt op een EU-richtlijn uit 1992 over melk en melkproducten. In deze richtlijn zaten enkele onduidelijkheden, die sommige lidstaten aangrepen om met verboden te komen.

De verordening bevat onder meer regels over hygiëne op melkproductiebedrijven en gezondheid van het vee. Ook zijn er voorschriften over temperatuur en bacteriegehalte van de rauwe melk. Zo moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat melk na ontvangst snel wordt gekoeld tot ten hoogste 6 graden. Een hogere temperatuur is toegestaan ,,wanneer met de verwerking wordt begonnen onmiddellijk na het melken of binnen vier uur na ontvangst in de verwerkende inrichting''. Een lidstaat mag een hogere temperatuur ook toestaan als bepaalde producten dat om technische redenen vereisen.

Rauwe koemelk mag op 30 graden maximaal 100.000 bacteriën per milliliter (kiemgetal) bevatten. Voor rauwe melk van andere dieren geldt een hoger kiemgetal. ,,In de praktijk voldoet 95 tot 98 procent van de boeren aan de eisen'', aldus de Brusselse ambtenaar.

Rauwe melk die niet aan de bacteriële eisen voldoet mag met toestemming van de bevoegde nationale autoriteit worden gebruikt voor het maken van kaas met een rijpingstijd van ten minste 60 dagen. In de verordening staat bovendien dat flexibiliteit wenselijk is ,,om het voortgezet gebruik van traditionele methoden in alle stadia van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen mogelijk te maken''. Voorwaarde blijft natuurlijk dat er geen gevaar voor de volksgezondheid ontstaat.