Vertederd staren naar dampende drollen

De Ese'eja indianen in Peru hebben hun traditionele bestaan ingeruild voor een loopbaan in het toerisme. De stam exploiteert een succesvol oerwoudhotel in het Amazonegebied.

Net te laat. De sporen van het dier waren in de drassige oerwoudbodem aanvankelijk goed te volgen maar eindigen nu abrupt bij een poel met water. Dat de Westerse toeristen in het Peruaanse regenwoud het beest slechts op een haar na hebben gemist, is overduidelijk. Vertederd kijkt het groepje boslopers naar een nog dampende stapel lichtbruine drollen van een tapir.

,,Hoe meer natuur en dieren we kunnen tonen, hoe meer toeristen ons reservaat zullen bezoeken'', is de leidraad van Silverio Duri (34). Afkomstig van de Ese'eja indianenstam in het zuidoosten van Peru gidst hij bezoekers sinds een aantal jaren door het Amazonegebied. De Ese'eja leven langs de oevers van de Tambopata-rivier in het Amazonegebied. Ze voorzagen in hun bestaan als landbouwers, door het vissen op piranha's en schoten spinapen en vogels. Geld verdienden ze voornamelijk met de verkoop van nootjes en handgemaakte spulletjes in het de afgelopen 25 jaar door toerisme snel groeiende stadje Puerto Maldonado (45.000 inwoners).

Zes jaar geleden veranderde hun bestaan ingrijpend. Toen sloot de dorpsraad van hun zeshonderd inwoners tellende indianenstadje Infierno een contract met de reisorganisatie Rainforest Expeditions in de Peruaanse hoofdstad Lima. Gezamenlijk werd besloten een oerwoudhotel te openen in het reservaat van de indianen. ,,Inmiddels leven vrijwel alle leden van onze stam van de opbrengsten van het ecotoerisme'', vertelt Duri.

In plaats van te jagen, werken de Ese'eja tegenwoordig als hotelreceptionist, gids, bootbestuurder of kok voor hun hotel. Dit jaar zal het dertig kamers tellende junglepension Posada Amazones ongeveer zesduizend gasten ontvangen en daarmee is het een van de meest succesvolle ondernemingen in het Amazonegebied.

De Amerikaanse zakenman, Hollandse IT-manager of Australische advocaat blijkt maar al te graag enkele dagen voor ruim 100 euro per dag onder een rieten dak en een klamboe in de snikhete en rumoerige rimboe te willen slapen. Hij staat om vier uur op om de grote, bijna uitgestorven rivierotter in het Tres Chimbadas-meer te kunnen zien en zit 's avonds bij kaarslicht – elektriciteit is er niet – de venijnige steekvliegjes boven zijn bord met warm eten weg te wapperen. En hij geniet ervan.

,,Het mes snijdt aan twee kanten. De tot voor kort in kommervolle omstandigheden levende indianen gaat het nu economisch voor de wind en de natuur profiteert ook. Sommige dieren die hier door te veel jagen bijna waren verdwenen, zijn nu weer te zien'', zegt Eduardo Nycander, een van de eigenaren van Rainforest Expeditions. ,,Toen ik vijftien jaar geleden voor het eerst in dit gebied kwam, passeerde er een boot met een grote stapel gedode ara's. Die verkochten de indianen aan restaurants in Puerto Maldonada waar ze er soep van maakten. Nu waken de inheemse bewoners over de natuur omdat ze de bezoekers iets moeten kunnen laten zien.''

Niet alle oorspronkelijke bewoners in dit Peruaanse jungledepartement Madre de Dios – waarvan een groot deel in 1977 tot natuurpark werd verklaard – zijn overigens opeens bekeerd tot het ecotoerisme. ,,In een dorpsvergadering ging 90 procent akkoord met het toerismeproject'', vertelt indiaan Duri. ,,De ouderen onder ons vinden het nog gek om het ongeregelde indianenleven in te ruilen voor een loopbaan met vaste arbeidstijden.''

Maar in het algemeen is er in dit gebied sprake van een omslag. Langs de rivieren staan lodges die tot enkele jaren geleden klanten lokten die graag een jaguar of een poema wilden schieten. Nu staat alles in het teken van het ecotoerisme. Belangrijkste natuurlijke attractie zijn de kleikluivende papegaaien, ara's en parkieten die hier 's ochtend op sommige plekken langs de rivier met honderden tegelijk komen aanvliegen. Ze snoepen van de modder, naar verluidt vanwege het sodiumgehalte of als medicijn tegen de buikpijn die ze oplopen door het eten van onrijp fruit. De westerse toeristen zitten op klapstoeltjes tegenover de `voederbakken' en volgen het spektakel met hun verrekijkers. ,,Het ecotoerisme kan de redding zijn voor de papegaaien'', zegt Nycander.

Het indianendorpje Infierno van de Ese'eja bestaat uit een lange rij, ver uit elkaar gelegen houten huizen aan de oever van de Tambopata rivier. Zo'n honderd jaar geleden woonden in dit gebied nog zo'n 10.000 Ese'eja maar door contacten met rubbertappers – ziekten en vormen van slavernij – is hun aantal gedecimeerd.

Het hart van de nederzetting vormt het voetbalveld, een gezondheidspost en een lagere school. Sinds de opening van het hotel is door de indianen ruim een miljoen dollar verdiend aan salarissen en de winst van het hotel. Drievierde van de opbrengsten wordt verdeeld onder de indianen van achttien jaar en ouder. Wat overblijft, wordt geïnvesteerd in de bouw van een middelbare school.

De indianen hebben zich contractueel verplicht in ieder geval tot het jaar 2016 samen te werken met de geldschieters uit Lima. Silverio Duri vertelt het allemaal in goed Engels. Die taal heeft hij geleerd op een cursus in Lima. ,,Het bedrijf uit de hoofdstad heeft beloofd steeds meer indianen op te leiden zodat we uiteindelijk geheel zelfstandig onze onderneming draaiende kunnen houden''.