Theekommen en wulpse borsten

Pas in 1918 werd in Nederland een begin gemaakt met het aanleggen van een collectie authentieke Aziatische kunst van hoog niveau. In Apeldoorn staan de topstukken uitgestald.

`NIETS VAN de grote kunst uit Azië kwam in Nederland terecht vóór de eerste jaren van de 20ste eeuw. Buitenlanders [..] gaan er begrijpelijkerwijs van uit dat in de loop van de eeuwen veel Nederlandse Indisch-gasten stukken van deze nobele kunst verwierven. Niets is minder waar.'

Dit schrijft de eerste conservator van de Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst (VVAK) in 1947. De eeuwenoude en vaak exclusieve handelsbetrekkingen van de Hollanders met onder meer Japan en Indonesië hebben niet geleid tot een substantiële collectie kunstvoorwerpen uit die culturen. Zo zijn er nauwelijks stukken uit de Javaanse kratons (vorstenverblijven) in Hollandse collecties terug te vinden. Koloniale ambtenaren namen doorgaans batiks, krissen en wat meubels mee terug in patria, maar geen sculptuur of het verfijnde goud- en zilverwerk.

Pas met de oprichting van de VVAK in 1918 werd een begin gemaakt met een collectie Aziatica van hoog niveau. De vereniging begon laat, maar had een vliegende start. Eind jaren twintig was een groot fonds bijeen gebracht waarmee in Azië zelf kunstvoorwerpen zijn aangekocht die een mooie en gedegen basis hebben gelegd onder de collectie. Aanvankelijk had de vereniging zijn eigen museumzalen binnen het Stedelijk Museum, in 1952 kreeg zij onderdak in het Rijksmuseum. Tot de dag van vandaag is de tot ruim 1700 stukken uitgegroeide verzameling daar in bruikleen, aangevuld met stukken van het museum zelf, met name porselein en exportkunst. Nu het Rijks jarenlang grotendeels is gesloten, wijkt de vereniging uit naar het nieuwe Apeldoorns Museum. De 350 getoonde objecten variëren van sieraden tot meer dan manshoge sculpturen vanaf de 12de eeuw, lakwerk, keramiek, bronzen, sieraden, kamerschermen en tempelbeelden uit China, Japan, het Indisch subcontinent en Indonesië.

De VVAK was een laat initiatief vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten, waar al in de tweede helft van de 19de eeuw verzamelaars zich specialiseerden in Aziatica. De volkenkundige benadering had in ons land sterk de overhand, en daar wilde de VVAK nadrukkelijk tegenwicht aan bieden. Haar was het niet te doen om de levenswijzen van de bestudeerde volkeren, maar om het hoogstaande niveau van hun cultuuruitingen. Hoe hoog dat niveau was, wisten niet veel Nederlanders. Tot eind 19de eeuw was er veel `oosterse kunst' te koop die een exportvariant was van de authentieke voorwerpen. Het zogenaamde Oriëntalisme (een westerse kunststroming) en de openstelling van Japan hadden de markt rijp gemaakt voor `oosterse kunst' op westerse smaak toegesneden. Via kunsthandels als de bazar `Japansch Magazijn' in Den Haag kwamen ze in Nederlandse woonhuizen terecht. Zelfs Willem III kocht er 19de-eeuwse lakwerkmeubels, die een wonderlijk mengsel waren van Japanse en oud-Hollandse elementen.

Pas op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900 toonde een Japanse handelaar de authentieke voorwerpen voor de thuismarkt, en merkten westerse kopers dat ze al die tijd `toeristische' producten voor echt hadden versleten. De Vrienden der Aziatische Kunst vermeden daarom de verfoeide exportkunst – op discrete wijze: een deel van hun leden had die vermoedelijk zelf in huis. De voorzitter, Westendorp, en de eerder aangehaalde conservator Visser togen nog in 1929/1930 op een uitgebreide aankoopreis, om de stukken in de landen zelf te verwerven. Niet de volkenkundige maar de `aesthetische waarde' stond voorop, ondersteund door publicaties op iconografisch, archeologisch en soms ook wijsgerig gebied. Aziatische kunst werd beschouwd als de openbaring van het `diepere geestesleven der Oost-Aziatische volkeren' – een westerse belangstelling voor spiritualiteit die mooi aansloot bij de theosofie en de antroposofie die tijdens het interbellum in gegoede kringen veel aanhangers hadden.

donateurs

Want vermogend waren de leden van de aziatica-vereniging doorgaans wel. De oprichters en donateurs van die eerste jaren zijn in de ledenlijsten te traceren. Het waren kooplieden, diplomaten en verzamelaars. De zakenmensen waren opvallend vaak werkzaam in de handel op Nederlands-Indië: reders, bankiers en eigenaren van exportfirma's. Dankzij deze kapitaalkrachtige donateurs kon de vereniging nog net vóór de beurskrach van 1929 anderhalve ton aan fondsen bijeen brengen – een vermogen voor die tijd – waarmee een Museum van Aziatische Kunst werd ingericht, sinds 1932 ondergebracht in enkele zalen van het Stedelijk Museum. De verzamelaars onder de leden waren behalve belangrijke bruikleengevers voor de VVAK-tentoonstellingen ook potentiële schenkers. De eerste voorzitter van de vereniging, de bankier en verzamelaar H.K. Westendorp, liet zijn volledige collectie na aan de VVAK. Hij had een deel van zijn verzameling opgebouwd rond de Japanse theeceremonie, waarbij hij vergelijkend te werk ging. In Apeldoorn is uit zijn bezit een Chinese naast een Japanse steengoed theekom opgesteld; ook een leek kan de subtiele verschillen in formaat, vorm en zwart glazuur vaststellen. De doelstelling van de vereniging om via de voorwerpen meer kennis over een cultuurgebied te verspreiden, is in deze studiecollectie voorbeeldig verwezenlijkt.

Terugkijkend valt op dat veel topstukken in de eerste tien jaar zijn gekocht door de vereniging: tijdens de aankoopreis en op veilingen en bij kunsthandels in Berlijn, Parijs, Londen en New York. Tussen 1930 en 1940 kwam er door de economische crisis veel van goede kwaliteit op de markt. De beroemde 12de-eeuwse bronzen Shiva bijvoorbeeld, werd verworven in 1935. Deze in een cirkel van vlammen gevatte Koning der Dansers is een van de `iconen' van de VVAK-collectie. Dat geldt ook voor de mansgrote houten Guanyin, een sereen en indrukwekkend Chinees beeld van de `Genadige', verworven in 1939. En het zandstenen Indiase tempelbeeld Hemelse Schoonheid kwam in 1934 in de verzameling: een vrolijk-erotisch beeld van een vrouw wier wulpse borsten glimmen van de vele aanrakingen der gelovigen.

Nog altijd verzamelt de afdeling Aziatische Kunst van het Rijksmuseum in de geest van de vereniging, met de nadruk op de inheemse esthetiek. Sinds enkele jaren wordt er daarnaast door het Rijksmuseum zelf een deelcollectie export-kunst opgebouwd, die de eeuwenlange uitwisseling tussen oost en west inzichtelijk maakt. Daaruit is vanaf half december in Apeldoorn een keuze te zien.

De huidige opstelling in Apeldoorn is klassiek ingedeeld naar cultuurgebieden: Indisch subcontinent, Indonesië, China, Japan en Korea. China en Japan geven de toon aan en vormen het leeuwendeel van de VVAK-collectie. Een blikvanger is bij binnenkomst het vorstelijke twaalfbladige Chinese kamerscherm uit de 17de eeuw, dat aan de ene kant is beschilderd met een voorstelling van phoenixvogels en bloemen, en aan de andere zijde een jachttafereel en schepen van westerlingen weergeeft. Toch is het waarschijnlijk gemaakt voor de binnenlandse markt, en daarom des te interessanter. Twee moderne Japanse kamerschermen staan er vlakbij. Deze recente aanwinsten zijn beschilderd met geabstraheerde weergaves van de berg Fuji, en tussen 1925 en 1930 gemaakt door de prentenmaker en schilderYoshida.

kraanvogel

Op de Japan-afdeling staan een paar prachtige houten boeddhistische beelden. Zeer levensecht is de gestalte van het kroonprinsje Shôtoku, die met gevouwen handen neerknielt. Zijn wijze gezicht met de kristallen ogen werd al eind 13de eeuw gesneden. De legende wil dat de prins na het bidden een reliek vond tussen zijn handen, het linkeroog van de Boeddha. Even verderop zit een kraanvogel in lakwerk, symbool van huwelijkstrouw, die onder zijn goudglanzende veren een deksel in zijn rug bergt, waarin ceremonieel voedsel werd opgediend.

Rondkijkend is het moeilijk voor te stellen dat deze kunst van soms duizend jaar oud pas in de afgelopen 75 jaar bijeen is gebracht. Het leeuwendeel van de aziatica die Nederlandse regenten en andere welgestelden in bezit hadden, werd geveild na de dood van de verzamelaars, of hooguit een generatie later. Dat er op de valreep, vlak voor de dekolonisatie, toch nog een goede collectie bijeen kwam, is paradoxaal genoeg aan diezelfde welgestelde particulieren te danken.

Tentoonstelling: `Het Rijksmuseum op de Veluwe: Topstukken uit de Aziatische collectie'. Tot en met 2007 in het Apeldoorns Museum/Coda. Vanaf half december aangevuld met presentatie van exportkunst.