Terug naar Irak: de verbijstering over de materiële en geestelijke puinhopen en de wil zelf iets bij te dragen

Na de val van Saddam Hussein vroegen veel Iraakse ballingen zich af of ze moesten teruggaan. Wat voor land treffen we aan, kunnen we daar iets, willen we daar iets? De Amerikaans-Iraakse advocaat Zaid Al-Ali beschrijft uitgebreid zijn verbijstering na zijn bezoek. Maar hij vindt dat hij wel moet blijven. Ook Iraakse vluchtelingen in Nederland worstelen met die vraag.

Juist toen men in heel de wereld begon te denken dat de toestand vooruitging, bracht ik – voor de tweede keer in mijn leven – een bezoek aan Irak, het geboorteland van mijn ouders.

Eigenlijk was het pas de eerste keer, want ik was nog een klein kind toen ik mijn vader vergezelde op zijn laatste reis naar Irak, voordat hij officieel aftrad als vertegenwoordiger van zijn land bij de Verenigde Naties. Hierna werd hij meer dan 23 jaar verbannen, en daarom kon ik zelf in die tijd Irak ook niet bezoeken.

Ondanks alles wat ik had gehoord en gelezen, werd ik verrast door wat ik zag toen ik in juli 2004 naar Irak terugkeerde. De toestand is volkomen uit de hand gelopen: het leven in Bagdad houdt geen verband met de officiële verklaringen, en evenmin met wat wij op de televisie zien.

Irak is een rijk land; daar gaat het tenminste voor door. Het is een van de weinige landen in de regio die sterke industriële en agrarische sectoren bezaten, en een klasse van hoger opgeleiden. Daar is niets van over. Mijn eerste kennismaking met de echte Irakezen – te onderscheiden van de gerieflijk levende leden van de diaspora met wie ik in het Westen vertrouwd was – vond plaats toen ik de Jordaanse grens passeerde.

In het douanekantoor stond ik tussen mensen die feitelijk mijn landgenoten waren. Niet één van hen zag er gezond uit. Het was ondraaglijk. Zonder overdrijving: allemaal waren zij op een of andere manier mismaakt, hadden een lelijk litteken in hun gezicht of sukkelden met een arm of een been.

Hun huidskleur was niet om aan te zien. Hun kleren waren vuil, zaten vol gaten, of pasten niet. Hun baarden waren smerig en onverzorgd. Zij maakten allemaal een vermoeide, zorgelijke indruk, terwijl ze nerveus van het ene bureau naar het andere liepen, wachtend op toestemming om Irak binnen te gaan. Nooit van mijn leven had ik me zo volstrekt niet op mijn plaats gevoeld. Nooit eerder voelde ik me zo vreemd, zo onwelkom, zo onbehaaglijk en zo schuldig.

Als een van mijn landgenoten mij een blik waardig had gekeurd, had hij me zonder twijfel voor een buitenlander gehouden. Deze mensen leken alleen nog aan het leven te hangen, omdat zij ertoe gedwongen waren, en niet, zoals ik in de westerse wereld gewend was, omdat zij er plezier in hadden. Deze indruk zou worden bevestigd tijdens iedere dag van mijn verblijf in Irak, overal in het land.

Een van de redenen waarom ik Irak bezocht, was om te proberen vast te stellen hoe zaken als de gezondheidszorg ervoor stonden sinds de oorlog. Tot mijn grote vreugde bleken familieleden die in ziekenhuizen in Bagdad werkten, bereid om mij rond te leiden. Een paar dagen na mijn aankomst ging ik met een oom van me op bezoek in het Academisch Ziekenhuis van Bagdad.

Onderweg vertelde hij over de schade die de oorlog had toegebracht aan de infrastructuur van het land. Hij zei dat meteen na de oorlog Amerikaanse militairen zich toegang tot de parkeerplaats van het ziekenhuis hadden verschaft en een groot aantal auto's van medewerkers hadden gestolen. Toen zij een van de auto's niet van zijn plaats kregen, sloopten zij het dak eraf om alles te stelen wat in de auto lag. De resten van die auto heb ik gezien: een geblakerd karkas zonder stoelen, wielen, accessoires of een dak.

Hij had ook gezien hoe Amerikaanse militairen deuren van overheidsgebouwen insloegen en Irakezen uitnodigden om er binnen te dringen en te plunderen. Het schijnt dat een aantal Amerikanen en andere buitenlanders er met een groot deel van de rijkdommen van Irak vandoor zijn gegaan, al is ten minste één man daarbij betrapt.

Toen wij van onze parkeerplaats naar het ziekenhuis liepen, bleek dat Amerikaanse soldaten een brug die wij wilden oversteken, hadden afgesloten. Het ziekenhuis was namelijk van over de rivier beschoten, vermoedelijk door opstandelingen. Drie mensen waren daarbij gedood. Mijn oom snapte eerst niet waarom iemand een ziekenhuis zou willen beschieten, maar toen wij hoorden dat de granaten de zesde verdieping van een bepaald gebouw op het ziekenhuisterrein hadden getroffen, zei hij: ,,Natuurlijk – de Italianen.'

Op de vijfde verdieping van dat gebouw verleende sinds een jaar een groep Italiaanse artsen gratis medische bijstand. Mijn oom dacht dat de aanvallen wel tegen hen gericht moesten zijn. Het in 2003 toenemende aantal aanvallen op buitenlanders had geleid tot extra veiligheidsmaatregelen. Door de betonblokken voor de ingang van het ziekenhuis en de bewapende militairen achter stapels zandzakken leek het wel een bunker. Maar deze verdedigingsmaatregelen zijn blijkbaar niet afdoende om de Irakezen tegen te houden die met alle geweld alle vreemdelingen, of zij nu bezetters zijn of niet, uit het land willen verdrijven.

In het ziekenhuis werd spoedig duidelijk dat alles wat ik in de tijd van het embargo over de toestand van de Iraakse ziekenhuizen gelezen had – het gebrek aan investeringen en noodzakelijke geneesmiddelen, defecte apparaten die niet kunnen worden vervangen, en de überhaupt ontoereikende behandelingsmogelijkheden – ook nu nog geldt, en dat hierin niet gauw verandering zal komen.

Ik heb een groot aantal afdelingen bezocht, waaronder de röntgenafdeling, de kinderafdeling en de afdelingen voor radiologie en cardiologie. Slechts één op de vijf apparaten op die afdelingen werkte. De röntgenafdeling had maar één apparaat dat het behoorlijk deed. De meeste onderzoekskamers waren in geen jaren gebruikt.

Wanneer een apparaat het begeeft, is er niets aan te doen. Repareren is onmogelijk, want reserveonderdelen moeten uit het buitenland komen en dat kan het ziekenhuis zich niet permitteren; aan nieuwe apparaten valt niet te denken.

De hygiëne is een ernstig probleem. Waar ik maar kwam – in gangen, operatie- en onderzoeksruimten, op trappen en in liften – zag ik onverklaarbare zwarte vlekken, en hier en daar zelfs zwarte plassen midden op de vloer. Ergens stond iets dat eruitzag als schoonmaakspullen, maar wat heeft het voor zin een gebouw te reinigen met zoiets smerigs? In een gang zag ik een onvoorstelbaar gore wastafel.

Overal op de grond zaten of sliepen patiënten of hun familie – soms zo veel dat je over hen heen moest stappen om de hal te kunnen oversteken. Velen zagen eruit of ze daar al dagen waren. En wat voor een patiënten! Oude mannen in ademnood, bloedende kinderen, kinderen met brandwonden, gebroken ledematen, huilend; oude vrouwen die onder hartverscheurend gehuil rondjes liepen – niemand wist waarom, niemand leek zich er druk om te maken.

[Vervolg :pagina 16]

Het is mijn plicht een bijdrage te leveren aan de wederopbouw van Irak

[Vervolg van pagina 15] En steeds stonden de ziekenhuismedewerkers er hulpeloos bij, onmachtig het lijden rondom hen te verlichten. Zo'n beetje overal in het ziekenhuis hingen posters van imam Ali (de religieuze figuur uit de zevende eeuw die door de shi'itische moslims wordt vereerd), van grootayatollah Ali al-Sistani en Muqtada al-Sadr. Wat zij kunnen bijdragen tot het welzijn van de patiënten was niet duidelijk, en evenmin wie die posters daar had opgehangen. Ze hingen in elk geval ook in de lounge voor het medisch personeel.

Aan het eind van de dag bezocht ik de cafetaria van het ziekenhuis, verbijsterd over het vuil, de ellende en de wanhoop die ik had gezien. Wij kregen gezelschap van drie collega's van mijn oom uit andere afdelingen. We spraken over van alles, hoofdzakelijk in het Arabisch, maar ik week uit naar het Engels om mijn werkterrein beter te kunnen toelichten. Het trof mij hoe goed zij die taal spraken; ze vertelden mij dat de studie medicijnen in Irak helemaal in het Engels is.

Op hun vraag waarom ik het ziekenhuis had bezocht, antwoordde ik dat ik nieuwsgierig was naar de toestand van de medische faciliteiten in Irak en dat ik daarom mijn oom had gevraagd om mij een representatieve instelling te laten zien. Daarop verweten zij mijn oom alle drie dat hij hún ziekenhuis had uitgekozen, dat volgens hen veruit het schoonste van het land was.

Het was vooral schokkend om te horen hoe weinig er feitelijk maar nodig zou zijn om hier verandering in te brengen. De collega's van mijn oom vroegen of ik kans zag om een groep sponsors bijeen te brengen die medicijnen zouden kunnen leveren of het geld om ze aan te schaffen – om allebei zat het ziekenhuis dringend verlegen. Terwijl ik luisterde, dacht ik na of ik contacten had die zouden kunnen bijdragen aan wat toch wel aanzienlijke geldbedragen moesten zijn. Ten slotte zeiden ze me dat zo'n 300 dollar per maand voldoende zou zijn om hun behoeften te dekken.

De grote vraag die alle Irakezen zich na de oorlog van 2003 stelden, was of de komst van het Amerikaanse leger een goede of een slechte zaak was. Veel families – zelfs families die het onder Saddam niet slecht hadden gedaan – zijn hierdoor scherp verdeeld geraakt. Sommigen betoogden heftig dat niets erger kon zijn dan Saddam, terwijl voor anderen het idee van een bezetting ondraaglijk was.

Deze tweedeling is nu grotendeels verdwenen, en de publieke opinie is duidelijk verschoven naar afwijzing van de bezetting. Deze ontwikkeling heeft waarschijnlijk allerlei oorzaken, maar uit mijn gesprekken en ontmoetingen zijn er speciaal drie naar voren gekomen: niets ergert de Irakezen meer, niets geeft hun meer de overtuiging dat de bezetting andere doeleinden dient dan hun belangen of de verhoging van hun levensstandaard, dan de massale werkloosheid en de wild om zich heen grijpende corruptie, de voortdurende stroomuitval en het feit dat het niet gelukt is veiligheid en een rechtsorde tot stand te brengen.

Het wil er bij de Irakezen niet in dat deze aanhoudende problemen onvermijdelijk zouden zijn. Zij concluderen daaruit dat de regering-Bush er heimelijk op uit is de Irakezen voortaan in armoede en onveiligheid te laten leven.

Deze drie factoren – de economie, de energie en de veiligheid – hebben de gewone Irakezen hun vertrouwen in het huidige politieke proces ontnomen.

Werkloosheid

Allereerst de hoge werkloosheid. Deze heeft op de bevolking een zeer deprimerende uitwerking. De meeste Irakezen ontplooien nog altijd geen economische activiteiten, en hoewel zich in verscheidene bedrijfssectoren een verbetering heeft voorgedaan, kan de overgrote meerderheid van de mensen nog steeds geen werk vinden.

Ik heb kennisgemaakt met werkloze ingenieurs, bouwkundigen, leraren, journalisten en voormalige leden van de strijdkrachten. Velen van hen hebben mij gevraagd of ik hen zou kunnen helpen het land te verlaten. Verscheidene zakenlieden hebben mij verteld dat zij onmiddellijk na de oorlog door buitenlandse investeerders zijn benaderd, maar dat de meesten van hen later uit angst van hun plannen hebben afgezien.

Een computerdeskundige vertelde dat hij had gewerkt voor een bedrijf dat onder meer de bezettingsautoriteiten als klant had. Nadat hij en een collega tweemaal door opstandelingen waren gewaarschuwd dat zij ontslag moesten nemen, was de collega vanuit een passerende auto doodgeschoten. Daarop had de man met wie ik sprak, ontslag genomen.

Dit alles, zo zeiden al deze mensen mij, is enkel en alleen de schuld van de Amerikanen. Zij zijn óf niet in staat óf niet van zins om Irak veilig te maken – iets wat Saddam Hussein, zo werd mij herhaaldelijk verzekerd, beslist wél kon.

Stroom

De aanhoudend gebrekkige elektriciteitsvoorziening, ten tweede, verstoort het dagelijks leven van de Irakezen in ernstige mate. De meeste mensen hebben bij lange na niet de helft van de tijd stroom. In de wijken van Bagdad waar ik het meest ben geweest, is het de bedoeling dat de stroom afwisselend drie uur aan en drie uur uit is, maar dat schema wordt maar zelden aangehouden. In de meeste andere gebieden van Irak is de stroomvoorziening nog slechter. Ik bezocht in Bagdad een gezin dat twee volle dagen geen stroom had gehad, en een gezin in Tikrit dat om de vier uur één uur stroom had.

Vele woningen beschikken over eigen generatoren, maar die houden alleen de televisie en de verlichting gaande. Airconditioning kan zo'n particuliere generator meestal niet aan, en dat maakt de Irakezen nog kwader, vooral 's nachts, wanneer de hitte en de vochtigheid extreem kunnen zijn.

Iedere nacht die ik in Irak heb doorgebracht, waren er problemen met de stroomvoorziening. Op individueel niveau heeft dit grote gevolgen, vooral voor het humeur in het algemeen en het gevoel van welbevinden, maar op nationaal niveau zijn de gevolgen nog ernstiger, want zonder elektriciteit kan er geen water worden gezuiverd en zijn ziekenhuizen kwetsbaar, met mogelijk rampzalige gevolgen voor de volksgezondheid.

Volgens overheidsfunctionarissen kunnen de vele stroomstoringen door verschillende factoren worden verklaard, waaronder aanvallen van opstandelingen op het elektriciteitsnet en op de centrales. Voordat ik Irak bezocht, geloofde ik dat dat de voornaamste oorzaak was van het gebrek aan elektriciteit. Maar die lijkt eerder te liggen in een gebrek aan investeringen. De overgrote meerderheid van de aan Irak toegezegde fondsen is nog niet uitbetaald.

Iemand die betrokken was bij het herstel van het elektriciteitsnet, vatte het probleem nuchter samen: ,,Nou, láten de opstandelingen het net aanvallen! Ze kunnen hooguit een stuk of wat mortiergranaten afvuren, en dat soort schade kunnen wij in een paar uur herstellen. Het eigenlijke probleem is dat er geen geld is. Wij hebben maar 10 procent van de toegezegde fondsen gekregen. Als ze ons geven wat we nodig hebben, kunnen wij eind dit jaar alles voor elkaar hebben en op volle toeren draaien.'

De Irakezen zijn er niet van overtuigd dat de investeringen uitblijven doordat het niet is gelukt een veilige werkomgeving te scheppen voor buitenlandse investeerders en werknemers. In dat verband wijzen zij erop dat hun nationale olie-inkomsten worden gebruikt om Amerikaanse onderaannemers uit te betalen die bij niet-openbare aanbestedingen zijn uitgekozen.

Veiligheid

Hier gaat het tweede probleem over in het derde, de veiligheid. Iedere Irakees die ik gesproken heb, beschouwde de Amerikanen als criminelen, dieven, huichelaars, vuilakken, leugenaars en – natuurlijk – buitenlandse invallers. De Irakezen hoeven niet ver te zoeken naar het mikpunt van hun haat. Zelfs nadat op 28 juni 2004 de bezetting officieel was beëindigd, zag ik overal Amerikanen. Ik heb honderden Amerikaanse tanks, helicokters en humvees gezien, patrouilles en controleposten, militaire voertuigen bij vrijwel iedere brug in Bagdad. De Amerikaanse strijdkrachten bezetten een reusachtig aantal gebouwen overal in de stad, die worden beschermd door zware betonblokken en zandzakken. Ook hebben zij een groot aantal palmbosjes in de stad omgehakt om te voorkomen dat opstandelingen zich daar zouden schuilhouden. Zo hebben zij de vroeger zo sierlijke parken veranderd in naargeestige, kale stukken grond.

Het was geen zeldzaamheid dat leden van een zeer trage Amerikaanse patrouille hun geweren op mij richtten wanneer ik hun voertuig probeerde in te halen. De humvees rijden vaak aan de verkeerde kant van de weg – om de Irakezen te treiteren; dat weet de bevolking zeker.

Onderwijs

Deze drie problemen zijn al ernstig genoeg, maar daarachter schuilt een nog ernstiger, een nog dieper geworteld probleem, dat de toekomst van Irak op de lange termijn in gevaar brengt: het onderwijs.

Van de jaren '50 vijftig van de vorige eeuw tot halverwege de jaren '80 is het Iraakse onderwijs opgebloeid. Het land beschikte toen over een aantal van de beste instellingen voor hoger onderwijs van de Arabische wereld, en trok studenten aan uit grote delen van de wereld. Duizenden Irakezen hebben in die periode hun universitaire opleiding afgerond aan West-Europese en Noord-Amerikaanse universiteiten. Een groot aantal Irakezen van die generatie is goed opgeleid, bereisd, politiek en maatschappelijk hoog ontwikkeld, twee- of drietalig, `werelds'. Zij zijn ook minstens 45 jaar, en vaak veel ouder.

Voor de na 1965 geboren Irakezen ligt allemaal heel anders. Zij hebben het grootste deel van hun leven te maken gehad met oorlogen, politieke onderdrukking en strenge economische sancties. Van 1979 tot 2003, onder president Saddam Hussein, was ieder politiek debat verboden. Dat was zelfs het geval binnen de regerende Ba'ath-partij, waar pogingen om de leden de leer van het socialisme en van de bevrijding uit koloniale onderdrukking bij te brengen, plaats moesten maken voor permanente bewieroking van Saddam.

Op den duur redt geen land het zonder een vrij verkeer van politieke ideeën. De combinatie van vier elementen – het bewind van Saddam Hussein, de verarming die het land heeft ondergaan door de oorlog van 1980-1988 tegen Iran, de verwoestende aanval van 1991, en de langzaam wurgende sancties van de jaren '90 (waarvan de laatste twee het werk waren van de internationale gemeenschap) – heeft een `verloren generatie' opgeleverd van niet opgeleide en, mondiaal gezien, geïsoleerde Irakezen. De herculische inspanning waarmee de voorgaande, wereldse generatie Irak uit armoede en onwetendheid heeft verlost, is in buitengewoon pijnlijke en tragische omstandigheden tenietgedaan.

De middelen waarover Irak beschikt om deze toestand te verhelpen, zijn armzalig. Dit is vooral zo sinds de plundering van de Iraakse universiteiten in de nasleep van de oorlog van 2003, waarbij vele bibliotheken in brand zijn gestoken. Openbare universiteiten en scholen hebben vrijwel geen faciliteiten, en het personeel is ontevreden over alles, van de werkomstandigheden tot het salaris. De leraren en hoogleraren zijn gedemoraliseerd, en de studenten hebben snel hun voordeel gedaan met de situatie – aan sommige universiteiten kunnen zij voor maar honderd dollar alle examens in één studiejaar halen.

In Bagdad en Tikrit heb ik een aantal onderwijsinstellingen bezocht. Wie het niet weet, zou nooit denken dat het onderwijsinstellingen waren. Een juridische faculteit in Bagdad heeft geen boeken in de bibliotheek om het rechtsstelsel van het land te bestuderen. Nieuwe boeken zijn overal zeer schaars, ondanks schenkingen van westerse instellingen die veel publiciteit hebben gekregen. Op scholen in Tikrit en Bagdad vertelden leraren mij dat de naoorlogse programma's die bedoeld waren om hun scholen te `rehabiliteren', neerkwamen op een nieuw verfje. Aan het onderwijspeil en de faciliteiten is volgens hen absoluut niets verbeterd. Sommige klaslokalen dienen als opslagruimte voor puin, maar treuriger nog zijn de lokalen die wél in gebruik zijn: die zijn meestal helemaal kaal en smerig.

Het bijproduct van deze catastrofale omstandigheden in het onderwijs is dat het Iraakse volk diep gedesillusioneerd raakt. Daar zitten drie kanten aan. Ten eerste is er in het land geen politieke partij die werkelijk de belangen van de Irakezen vertegenwoordigt. De complete politieke klasse in Irak bestaat thans uit mensen die ten minste 15 jaar in het buitenland hebben gewoond (en in het geval van Ahmed Chalabi en Iyad Allawi nog veel langer), en de verschillen tussen partijen als het Iraaks Nationaal Congres en het Iraaks Nationaal Akkoord – die in het Westen van belang worden geacht – zijn niet zozeer een kwestie van ideologie als wel van persoonlijk karakter en eerzucht.

Geen van beide partijen hangt een bepaalde politieke ideologie aan (bijvoorbeeld gericht op steun aan hervorming van de gezondheidszorg of op belastingverhogingen), en zij hebben evenmin iets bijgedragen tot de politieke ontwikkeling van Irak. Elk wordt geleid door een krachtige persoonlijkheid die voordurend van corruptie wordt beschuldigd. Waarom zou een Irakees die werkelijk belang hecht aan de politieke toekomst van zijn of haar land, zich tot zulke organisaties aangetrokken voelen?

In de tweede plaats is het algemene misnoegen toegenomen, doordat het helemaal niet is gelukt om de levensstandaard van vele Irakezen te verhogen. De problemen met de elektriciteit en de veiligheid hebben cynische Irakezen – zelfs degenen die in 2003 op echte veranderingen hadden gehoopt – zelfs al tot de overtuiging gebracht dat de Verenigde Staten zich niet om hun belangen bekommeren, en tot de opvatting dat het hele idee van verbetering langs politieke weg een hersenschim is.

In de derde plaats krijgen de Irakezen niet de middelen om politiek en sociaal actief te worden, en worden zij evenmin aangemoedigd zulks te doen. Vrije verkiezingen in een vroeg stadium hadden de bevolking kunnen bezielen, maar dat plan werd afgewezen door de bezettingsautoriteiten, die veel meer belang hechtten aan de hervorming van de economie. Het resultaat is een tragisch kunstmatige politieke toestand, zonder enige werkelijke relevantie voor de fundamentele problemen waar de mensen mee kampen.

Het treurige resultaat van dit alles zag ik bij een ontmoeting met een paar jonge leden van de veronderstelde nieuwe politieke klasse van Irak. Wij spraken over de parlementsverkiezingen die gepland zijn voor eind januari 2005. Ik vroeg hun welke maatregelen worden genomen om te verzekeren dat deze vrij en open zullen worden gehouden. Hoewel zij mij bezwoeren dat zij hiervoor hun uiterste best deden, bleken zij alleen maar twee bijeenkomsten met Amerikaanse functionarissen te hebben gehad om de zaak te bespreken, meer niet.

Ik noemde de mogelijkheid om contact te zoeken met verkiezingswaarnemers van de Europese Unie of van het Carter Center. Van waarnemers bij verkiezingen hadden ze nog nooit gehoord. Ik legde uit wat dat inhield en spoorde hen aan om met deze of soortgelijke instanties contact op te nemen.

Ze hadden geen idee waar ze moesten beginnen, zij wisten niet hoe ze aan adressen en zo moesten komen, en geen van hen sprak iets anders dan Arabisch.

Ergens anders, in een streek die ik toevallig bezocht, vaardigde een provinciegouverneur een bevel uit om twee mensen die van een misdrijf werden verdacht, vrij te laten. Bij de plaatselijke rechtbanken die dat bevel kregen, werd de legitimiteit van dit besluit door advocaten fel aangevochten. Maar de overheidsfunctionarissen begrepen het probleem helemaal niet. Zij hadden blijkbaar nog nooit gehoord van het concept van de rechterlijke onafhankelijkheid of van de scheiding der machten.

Enkele waarnemers hebben gevraagd waarom Irakezen die bezwaar hebben tegen de militaire bezetting van hun land, geen geweldloze middelen gebruiken. Kunnen die niet als een efficiëntere vorm van verzet worden beschouwd dan een guerrillaoorlog?

Een mogelijk antwoord daarop is dat de overgrote meerderheid van de Irakezen nooit heeft gehoord van geweldloosheid, Mahatma Gandhi of Martin Luther King.

De verloren generatie Irakezen – zeg maar, iedereen onder de 45 jaar – vindt dat ieder politiek debat volstrekt zinloos is. Niet alleen omdat politiek in Irak zo lang verboden is geweest, maar ook omdat de politiek in Irak, en alle inspanningen die sinds de jaren '50 zijn verricht door de duizenden die zich hebben ingezet voor de sociale, economische en politieke ontwikkeling van het land, zijn uitgelopen op de Amerikaanse bezetting. Met andere woorden: op een volslagen mislukking en vernedering.

De ontgoocheling over de politiek uit zich op drie niveaus: praktisch, emotioneel en intellectueel.

Allereerst heb ik tijdens mijn verblijf in Irak iedereen onder de veertig gevraagd of hij of zij lid was van een politieke partij, of dat zij iemand kenden die lid was. Ik heb niet één keer een bevestigend antwoord gekregen. Vaak werd op zulke kwesties honend gereageerd. Ik ben zelfs geconfronteerd met zeer heftige reacties van mensen die schreeuwden dat van politieke debatten niets goeds kan komen.

Ik heb niet één poster of politiek symbool gezien dat een politicus aanprees; dat soort aandacht valt alleen religieuze figuren ten deel. De beelden van de diverse politieke gebeurtenissen – het sluiten van een verdrag of de overdracht van de soevereiniteit – worden standaard uitgezonden door al-Jazira, maar niemand schenkt er enige aandacht aan. Je kan waarschijnlijk wel stellen dat de doorsnee Amerikaan die gebeurtenissen veel belangrijker vindt dan de doorsnee Irakees.

In de tweede plaats is het cynisme bij de Irakezen zo ver voortgeschreden dat zij niets willen ondernemen om het lot van hun land te verbeteren. Zij zijn ervan overtuigd dat wát ze ook doen, de situatie toch niet zal verbeteren. Zo is in Tikrit algemeen bekend dat een generator van vier ton die onlangs door de gemeente is aangeschaft, in feite twee ton weegt. Toch is niemand bereid om de verkoper aan te klagen wegens een te hoge prijs, de zaak aan te geven bij de politie, of om er bij de gemeente op aan te dringen dat ze geen gemeenschapsgeld verspilt. Waarom zou je je druk maken, zeggen de mensen, als vervolgens gewoon iemand anders er met het geld vandoor gaat?

Ten derde: een Irakees van middelbare leeftijd die vloeiend Engels sprak – hij was in de jaren '70 afgestudeerd aan een Britse topuniversiteit – zei me dat Irak geen toekomst heeft, en dat het zinloos is om daar energie aan te spenderen. ,,Ik hoop', zei hij, ,,dat dit bezoek van u aan Irak uw laatste zal zijn. Blijf in het buitenland en leid daar uw leven. Hier is niets voor u.' De reden van zijn pessimistische kijk was dat ,,de jongeren niet ontwikkeld zijn'.

Maar had het de generatie voor de zijne niet óók aan elementaire vorming ontbroken, en had zijn generatie zich niet door bekwaamheid en vlijt op eigen kracht aan haar onwetendheid ontworsteld? Het antwoord was een wrange glimlach en een schouderophalen.

De Irakezen zijn een dood volk. Ik heb ze zien zitten in de soek, zien lopen door het vuil waarmee alle straten meter voor meter bedekt zijn, zien rondhangen in de luxe of de armoede van hun woningen. Waar ze ook waren, en ongeacht hun maatschappelijke positie, zij zogen de zware, stoffige lucht van het land hun longen binnen en verdreven hem iedere keer weer met een zucht van verlichting uit hun lichaam.

Er heerst een niet aflatende, alomvattende wanhoop, die hen omhult wanneer zij lachen en wanneer zij ruziën. De enige plaats waar ik dat gevoel niet had, was op de oostelijke oever van de Tigris, niet ver van Tikrit – een oord dat amper lijkt te zijn veranderd sinds het Babylonische tijdperk, toen de bevolking van dit land waarschijnlijk gelukkiger was dan nu.

Irak is in de greep van een ernstige crisis, en dat is niet iets wat kan worden verholpen door investeringen, een bezetting of zelfs een bevrijdingsoorlog. Waarschijnlijk kan de verloren generatie Irakezen nooit meer tot leven worden gewekt, en is de wereldwijze generatie die haar voorafging te moe, te gedesillusioneerd om veel positiefs bij te dragen.

Het beste wat in deze omstandigheden gedaan kan worden, is ons te concentreren op de mensen wier geest door oorlog, sancties en het bewind van Saddam Hussein niet volkomen gebroken is. Een hele generatie Irakezen is nog jong genoeg om te worden bezield met een politiek bewustzijn dat de Iraakse samenleving een nieuw elan zou kunnen geven. De leden van die generatie zitten dringend verlegen om boeken, ander onderwijsmateriaal en – meer dan wat ook – om leraren. Irak moet weer op de been worden geholpen, het moet weer leren zichzelf te redden, en dat kan op de lange duur maar op één manier gebeuren: de mensen moeten in beweging komen en zichzelf scholen. Het is de afgelopen anderhalf jaar pijnlijk duidelijk geworden dat de Irakezen het alleen van zichzelf moeten hebben.

Na de oorlog van 2003 dacht ik dat er niets was wat ik kon doen om de loop der gebeurtenissen in Irak te beïnvloeden. Op dit moment realiseer ik me dat in dit land alles óf stilstaat óf achteruitgaat, en dat alleen individuele inspanningen daar iets aan kunnen veranderen.

Aangezien de jonge Irakezen de afgelopen twintig jaar niets nuttigs hebben geleerd, moeten de ouderen – individueel en collectief – weer les gaan geven op de scholen en aan de universiteiten, en aangezien de leden van de reusachtige Iraakse diaspora geprofiteerd hebben van maatschappijvormen en onderwijsstelsels in het buitenland, rust nu ook op hen de plicht om Irak iets van zijn waardigheid terug te geven en ertoe bij te dragen dat het land toekomstige generaties iets zal kunnen bieden.

Als dat voor anderen geldt, dan geldt het ook voor mij. Daarom heb ik geen andere keus dan mijn huidige gerieflijke leven vaarwel te zeggen en te beginnen aan een leven dat hopelijk enig nut zal hebben voor iemand anders dan mezelf.

Hawar Qaradaghi (32) is geboren in Suleimanya, in het noorden van Irak. Ze woont sinds 1997 in Nederland.

Ik ben in april en mei teruggeweest, en ik vertrok met grote verwachtingen. Maar ik wil daar nu absoluut niet gaan wonen. Daarvoor was de teleurstelling te groot. De manier van leven is zo anders. Dat wil ik niet meer. Natuurlijk komt dat ook omdat ik zelf ben veranderd. Als je daar bent, realiseer je je hoeveel.

Voorbeelden? Ik drink alcohol en ik rook. Dat mag daar niet, ze zeggen dat het 'slecht' is of 'asociaal'. Ik wilde dat toch toen, en heb daarmee mijn familie erg gekwetst. Als vrouw is het ook erg moeilijk om alleen met een taxi ergens heen te gaan. De taxichauffeurs draaien aan hun spiegel en zitten je de hele tijd aan te kijken, en ze zeggen stomme dingen. Ze denken dat als een vrouw alleen een taxi instapt, dat voor hen een goede kans is om iets te doen.

De openbare ruimtes zijn eigenlijk alleen voor mannen. Vrouwen zie je niet veel. Ik heb wel naar cafés gezocht. Maar plaatsen waar ook vrouwen komen, zijn eigenlijk alleen maar in de grote internationale hotels. Mijn familie waarschuwde dat die niet veilig zijn. In andere cafés zaten alleen maar mannen. Dus ik miste mijn koffie verkeerd heel erg.

Wat me ook tegenviel is mijn broer. Hij is getrouwd, met één kind, maar hij gedraagt zich nog precies zoals mijn vader. De vrouwen moeten alles doen, en hij zit thuis en doet niets.

Ik kom uit Koerdistan, en daar is de verwoesting niet zo groot als elders in Irak. Er zijn veel kleine speeltuintjes, er worden hoge gebouwen gebouwd, ieder gezin heeft wel een auto, en de mensen met een certificaat basisschool hebben eigenlijk allemaal wel een baan. Vroeger had iedereen tijd om een afspraak te maken, nu moet je dat regelen, want de meeste mensen zijn aan het werk.

Ik had ook werk kunnen krijgen. Ik heb een masters in de kunstgeschiedenis, en de voorzitter van de faculteit in Suleimanya heeft me een baan aangeboden. Maar mijn diploma zou daar als bachelors worden beschouwd. En de sfeer is ook anders. In de mensa zitten de professoren, de rest van de wetenschappelijke staf en de studenten allemaal apart. Hier in Nederland zit iedereen door elkaar heen, en dat vind ik veel prettiger.

Ik heb een kind, en ik zie voor mezelf en mijn gezin niet snel een toekomst in Irak. Daarom ga ik niet terug. Maar ik ben wel van plan ieder jaar een maand terug te gaan en lezingen te geven. Dan lever ik in ieder geval op een andere manier een bijdrage.

Chaalan Charif (38) is geboren in Suq Shiukh, in het zuiden van Irak. Hij verliet Irak in 1991 en is sinds 1994 in Nederland.

Ik wilde zo snel mogelijk na de val van Saddam terug. Ik had heimwee, wilde mijn familie weerzien. In augustus vorig jaar ben ik vier weken teruggeweest, om de situatie te bekijken en te zien of teruggaan mogelijk was.

Ik wil eigenlijk heel graag terug, maar ik heb nog niet definitief besloten wegens persoonlijke omstandigheden. Hier werk ik als tolk Nederlands-Arabisch. In Irak zijn niet zoveel mogelijkheden. In Irak kan je nu alleen werk vinden als je connecties hebt: met een politieke partij of een religieuze groep (en dat is vaak hetzelfde), of met een grote organisatie.

Ik ben erg geschrokken van de situatie. Het is allemaal erg chaotisch. De mensen leven in grote onzekerheid, niemand weet hoe het verder gaat. In de loop van de vorige eeuw is Irak begonnen aan een proces van modernisering. Maar dat is tot stilstand gekomen, al door de oorlog tussen Irak en Iran van 1980 tot 1988, maar vooral door de eerste Golfoorlog, in 1991. In de maatschappelijke en economische situatie is een ommekeer zichtbaar. In hun onzekerheid, in hun armoede en angst en hun lijden grepen mensen weer terug op oude tribale en sectarische banden. Het voormalige regime heeft deze tegenstellingen alleen maar versterkt en misbruikt. Zo'n 25 jaar geleden was Irak nog een redelijk ontwikkeld land. Nu heeft het, met het sectarisme en het religieuze fanatisme, een enorme stap terug in de tijd gedaan.

Drie oorlogen en dertien jaar embargo hebben enorme materiële verwoestingen aangericht. In het zuiden, waar ik vandaan kom, is in dertien jaar niets vernieuwd of verbeterd. Aan gebouwen of straten is niets gebeurd.

In het begin vond ik het fijn alle mensen van vroeger weer te zien. Maar na een tijd ging het niet meer zo goed. Ik denk dat ik te ontspannen was, te relaxed, terwijl zij daar heel gefrustreerd zijn. Het is voor hen moeilijk helder te denken, een helder gesprek te voeren. Ze hebben te maken met een opeenstapeling van problemen. Dat leidt tot enorme frustratie, en mensen reageren dat op alles en iedereen af, op alle partijen die een rol spelen in Irak.

Maar toch; als ik zou kunnen, als ik werk zou hebben, zou ik teruggaan. Ik werk hier, ik verdien geld, maar ik vind het moeilijk in Nederland een eigen rol te vinden. Ik voel me ook vooral betrokken bij wat in Irak gebeurt en veel minder bij wat in Nederland speelt. Ik zou graag echt een bijdrage leveren aan de samenleving, en dat lukt me hier niet. Als je iets kan doen voor mensen, geeft dat zin aan je leven. En ik denk dat ik in Irak wel een eigen rol zou kunnen hebben.

Advocaat, werkzaam in New York en Parijs, na een studie aan King's College in Londen, aan de Sorbonne in Parijs, en Harvard Law School. Hij heeft de website www.iraqieconomy.org opgericht en zal zich binnenkort vestigen in Irak om te helpen bij de wederopbouw van het land.

Dit artikel is eerder gepubliceerd op de website www.opendemocracy.net, als onderdeel van het daar lopende debat over Irak.

Leden van de Iraakse diaspora moeten helpen om het land iets van zijn waardigheid terug te geven