Rechters moeten oordelen beter afstemmen

De bezwaren van kantonrechter Fruytier in zijn artikel van 27 september tegen rechterlijke afstemming zijn onterecht. Uit inventarisatie van tot dusver gedane rechterlijke uitspraken in de aandelenlease-affaire blijkt dat rechters juridische kwesties tegenstrijdig beoordelen. Rechters in Amsterdam, Den Haag, Gouda, Groningen, Haarlem, Rotterdam, Zutphen en Zwolle beschouwen bijvoorbeeld de WinstVerDriedubbelaar als huurkoop, terwijl rechters in Arnhem, Almelo, Assen en Roermond dat niet doen. Gevolg is dat beleggers in Amsterdam de aandelenlease in principe kunnen laten vernietigen, maar in Arnhem niet. Rechtsongelijkheid, rechterlijke eigenmachtigheid of willekeur, deze situatie is hoe dan ook onacceptabel. Het treffen van maatregelen is derhalve dringend gewenst. Rechterlijke afstemming kan aan een oplossing bijdragen.

Wordt die afstemming toegepast in de Dexia-zaak, dan blijkt dat de rechter helemaal niet gevraagd wordt om op de stoel van de politiek te gaan zitten. Hij dient slechts consequent de WinstVerDriedubbelaar juridisch te kwalificeren als huurkoop, of niet. De wetsgeschiedenis biedt bij deze keuze houvast. Dat die keuze maatschappelijke consequenties kan hebben, is niet ongewoon bij grote aantallen belanghebbenden.

Terecht is het ongewenst wanneer de Raad voor de Rechtspraak instructies zou geven aan rechters om individuele gevallen zus of zo te beoordelen. Dat is ook niet de bedoeling. Het gaat er namelijk om dat rechters eenzelfde maatstaf hanteren. Doorgaans wordt dit via het systeem van hoger beroep en cassatie bewerkstelligd, maar dat laat veelal jaren op zich wachten. Waarom zou de Raad, een onafhankelijk orgaan van rechters, dan niet hantering van eenzelfde maatstaf mogen bevorderen? Hiermee kunnen immers op korte(re) termijn juridisch eenduidige uitspraken worden verkregen, wat de verwachte kans op een golf van hoger beroepen verkleint.