Kosten van Britse vergrijzing vallen mee

De bewering dat het Verenigd Koninkrijk voor een pensioencrisis zou staan, is schromelijk overdreven. Dat is de belangrijkste les uit het nieuwe, 350 pagina's tellende rapport van de gezaghebbende Pension Commission. Het is waar dat het Britse stelsel van oudedagsuitkeringen kampt met een financieringsprobleem. Het overheidsstelsel is bescheiden van omvang en de reserves van de private pensioenverzekeraars zijn gekrompen. Maar het probleem is eerder politiek dan fundamenteel van aard. Het land kan zich makkelijk een groter aantal pensioengerechtigden veroorloven.

Het angstaanjagende cijfer is de zogenoemde `ouderenafhankelijkheidsratio', dat de verhouding weergeeft tussen het aantal mensen van boven de 65 en het aantal mensen uit de leeftijdscategorie van 20 tot 64.

Dankzij de veranderende demografische omstandigheden – de mensen in het Verenigd Koninkrijk leven steeds langer en krijgen minder kinderen – zal dat cijfer vermoedelijk oplopen van de huidige 27 procent naar krap 50 procent in 2030. Dat is indrukwekkend, maar de ouderenafhankelijkheidsratio vertelt niet het hele verhaal. Er zijn twee belangrijke verzachtende factoren.

In de eerste plaats hebben de werkenden, hoewel ze voor een groter aantal ouderen moeten zorgen, minder kinderen omhanden. De `jongerenafhankelijkheidsratio', dat wil zeggen de verhouding tussen het aantal kinderen van beneden de 20 en de beroepsbevolking, is gestaag gedaald, van 55 procent in 1960 tot zo'n 30 procent vandaag de dag. Als de huidige vruchtbaarheidscijfers duurzaam blijken, zal dat percentage omlaag blijven gaan.

De totale afhankelijkheidsratio zal vermoedelijk stijgen, maar slechts met 20 procent, en zal in 2030 niet hoger zijn dan in 1975. Toen waren er heel veel kinderen en weinig ouderen, maar was er geen sprake van een `crisis in de kosten van de kinderopvang'.

In de tweede plaats is de periode die na het werkende leven resteert gemiddeld veel langer geworden, van zo'n 20 procent van de gewerkte tijd in 1970 naar zo'n 30 procent nu, dankzij vroegere pensionering en hogere levensverwachtingen. Die winst kan worden aanschouwd op de golf- en tennisbanen, waar redelijk fitte ouderen hun tijd doorbrengen. Sommige prepensioenjaren moeten wellicht worden ingeleverd terwille van het behoud van lagere premies. Maar het principe van deze sociale uitruil lijkt redelijk.

Toch kan het moeilijk zijn de mensen hiervan te overtuigen. Een latere pensionering en hogere premies klinken pijnlijk, terwijl de `totale afhankelijkheidsratio' een subtiel concept is.