Jari

Jari was terug. Helaas, alweer op de bank. Niet eens bij de reserves. Droeviger dan Jari Litmanen kun je niet op de bank zitten. Het gezicht in gebroken wit, een Siberische kou om de mond, de ogen gefixeerd op een horizon achter de mensheid waar misschien wel kristallen paarden lopen.

Jari: zo ver van deze wereld en toch zo nabij.

Eens de nummer tien van Ajax met 91 doelpunten achter zijn naam. Een door tegenstanders gevreesde Godenzoon. Tactisch slim, technisch begaafd en toch geen jongen die de handjes in de heupen heeft geplant. De sirene van een juichkreet? Mij heeft het in al die goede Ajax-jaren van Jari niet bereikt. Nooit heeft iemand deze ballerino gezien met blosjes op de wangen of aanverwante koortsaanval. Hij speelde, scoorde en keek om zich heen vanuit een graf.

Man zonder praatjes, dat vooral. Eigenlijk zoals Finnen zijn: te zwaar voor een gesprek. Daar gaan de spieren ook op reageren en dus is Jari quasi levenslang geblesseerd geweest. De blessures maken deel uit van een diep verdriet, veel dieper dan de wondroos van Balkenende. Het verdriet van een landschap waar weinig meer is dan een waarom.

Vaak was hij norser dan boomschors. Honderden keren heb ik me de vraag gesteld: zou Jari gelukkig zijn? Of zorgeloos? Of vrij van lijf en leden? Aan de bal wel, maar niet in het leven. Niet in zijn Ajax-tijd, niet in Barcelona, niet nu hij afbouwt in Finland. Altijd was er dat masker van de afgewezen minnaar, die grimas van pijn. Existentieel leed bijna.

Maar wat een ster.

Speels en vernuftig in dodelijke ernst. Collegiaal tot op het bot, zonder toeters en bellen, zonder pathetisch gelik. Nederig in de overwinning, nederig in het soortelijke gewicht van zijn talent. Hij kon krommer zijn dan Freek de Jonge op de bühne en dan ineens oprijzen uit een ranke elegantie die niet meer van deze wereld is. Van wasdraad tot gebeitelde schoonheid, Jari had het allemaal in het pakket.

Waarom wil zo iemand nog op de bank zitten? Pleinvrees voor het seculiere leven? Angst voor de leegte van een diepgaand gesprek? Verslaafd aan buitenlucht? Litmanen zal het nooit zeggen: hij is een mens van geheimen. Misschien is hij wel een schim van zichzelf.

Sneijdertje was er ook, deze woensdagavond. Hij zat niet op de bank, hij stond in het veld en speelde voortreffelijk. Althans niet zo drollerig als tegen Macedonië. Wesley is geen Fin, en dat hoorde je meteen na de wedstrijd. Door deze krant liet hij de legendarische zin optekenen: `Ik heb veel mondjes gesnoerd'. Garrincha zou het nooit gezegd hebben, Eusebio kon het niet bedenken, Litmanen durft al helemaal niet zo introspectief te gaan. De puber Wesley Sneijder was zo verguld met zijn optreden dat hij het ook articuleerde: ,,Ik heb veel mondjes gesnoerd.''

Hij zei het op zijn Amsterdams, dan is veel toegestaan. Veel vergeving, veel domme zelfingenomenheid, veel razernij. Het grote onbewustzijn zelfs. Minister De Geus en staatssecretaris Van der Knaap zaten woensdagavond ook in de Arena. Ze werden gescreend in close-up. Toen ik het zag, dacht ik: een beetje Nederlands elftal met standing wil nu niet eens meer winnen. Maar zo denkt Wesley Sneijder niet.

Het jonkie is wél een mannetje van handjes in de heupen, van verbaal misbaar, van maniertjes, van bluf en kak met de pet op. Waar Jari stil in de verwondering voor zijn eigen wreef stond, gaat Wesley zich verheffen tot held van de Zestien. Het een is even aandoenlijk als het andere. Maar Litmanen heeft mijn liefde, Sneijder heeft mijn ouwe glimlach. Typisch Nederlands, die patserigheid na een smadelijke overwinning. Je ziet het bij Koeman, bij Gullit en bij Van Basten. ,,We hebben toch maar gewonnen.'' Guus Hiddink is daar realistischer en ingetogener in, maar Guus wordt niet tot het land gerekend. Guus is van de provincie, in het beste geval van Zuid-Korea.

Ik heb begrepen dat Ajax van Litmanen af wou. Te blessuregevoelig, te oud, te veel ancien régime. Wat een tragisch misverstand. Ajax is even kil om de mond als Jari, even doods in de ogen, even gekneusd in de ziel. Het alter ego van Ajax is nog steeds: Jari Litmanen.

Het komt nooit meer goed, zoals nooit nog iets goedkomt. Maar toen ik Jari in het vliegtuig naar Helsinki zag stappen, hoorde ik mezelf verzuchten: blijf thuis. Gun je het (haard)vuur dat je hebt. Blijf van Amsterdam, waar het warmer is dan in Helsinki.