Ik geef er de voorkeur aan hier dood te gaan

`Ik ben een Tsjetsjeense vrouw, maar ik ben geboren op een plek die duizenden kilometers van mijn vaderland verwijderd ligt. Ik zal je vertellen hoe dat komt. In 1944 besloot Stalin ons hele volk te deporteren. Soldaten drongen de huizen van Tsjetsjenen binnen en zeiden: ,,Schiet op, je gaat vertrekken.'' Sommige mensen kregen niet eens de kans een jas aan te trekken. Mijn grootmoeder had geluk, ze kreeg te maken met een soldaat die nog een beetje mens was. Ze mocht een zak maïs meenemen en een paar dekens.

De Tsjetsjenen werden veewagens ingedreven zonder te weten waar ze heen gingen. Er waren geen bedden in die treinen, niet eens wc's. Je had nauwelijks plek om te zitten. De reis duurde een maand en gedurende die tijd zijn veel mensen van ontberingen omgekomen, maar hun familieleden mochten hen niet begraven. Ze werden uit de trein gegooid.

De eindbestemming was Kazachstan. Mijn grootmoeder, vader, twee tantes en een oom kwamen terecht op een klein kamertje bij een arme Kazachstaanse familie. Ze werden gedwongen op het land te werken en als je gepakt werd met ook maar één aardappel in je zak, draaide je voor tien jaar de gevangenis in.

Mijn vader was goed opgeleid, hij had als ingenieur op een fabriek gewerkt en hij werkte zich al gauw op tot hoofd van de arbeidersbrigade. Hij ontmoette mijn moeder en werd verliefd op haar. Ze trouwden en zo ben ik geboren, op een plek die duizenden kilometers van mijn vaderland verwijderd is.

Mijn eerste levensjaren stonden in het teken van de dood. Ik kreeg een klein zusje dat te zwak was om te blijven leven en toen ik vier jaar oud was, stierf mijn moeder. Ze had tuberculose of iets met haar baarmoeder, ik weet het niet meer. Tsjetsjenen waren gevangenen in Kazachstan, er werd geen rapport opgesteld als ze stierven.

Mijn vader hertrouwde en na enige tijd wist ik niet eens meer dat zijn nieuwe vrouw niet mijn echte moeder was. Ik was een kind en mijn aanwezigheid maakte de mensen vrolijk. Het waren jaren van ballingschap, maar wat wist ik daarvan? Ik speelde vrij in de velden en de bossen. Dat was heerlijk.

Toen kwam Chroesjtsjov aan de macht. Hij gaf ons volk in 1956 toestemming terug naar huis te gaan, maar sommige Tsjetsjenen werd niets verteld en in hun onwetendheid vertoefden ze nog jaren in ballingschap. Mijn familie ging in november 1957 terug naar Tsjetsjenië. Omdat mijn vader bang was dat het niet waar was dat we terug mochten, kocht hij treinkaartjes naar een stad in Zuid-Rusland, zodat we onze werkelijke bestemming geheim konden houden. Onderweg zouden we stiekem uitstappen in Grozny. De volwassenen waren allemaal zo gespannen dat ik er doodzenuwachtig van werd. Eenmaal in de trein, klom ik in het bagagerek en daar kwam ik onder geen beding meer uit.

Midden in de nacht kwamen we aan in Grozny. Dat was een ongelofelijk gevoel. Ik was tien jaar oud en mijn leven lang had ik de grote mensen alleen maar horen praten over `thuis'. En nu waren we dan eindelijk thuis. Het was een heilig moment. Een feest.

Het was de eerste keer dat ik een grote stad zag met auto's en grote gebouwen. De volwassenen moesten me vasthouden, ik was zo onder de indruk dat ik trilde. Ik was overdonderd: Kazachstan is één grote woestijn, maar in Tsjetsjenië heb je groene bergen, prachtige natuur en grote rivieren.

In Grozny mocht ik naar de middelbare school. Ik kon goed leren en na de middelbare school volgde ik een opleiding tot onderwijzeres. Terwijl ik overdag op een school les gaf, studeerde ik 's avonds filologie en geschiedenis. Ik trouwde met een vrachtwagenchauffeur en kreeg een dochter. Het was geen goed huwelijk en na tweeënhalf jaar verliet ik mijn man.

Het leven in Grozny was rustig in die tijd. We mochten weliswaar met geen woord over de deportatie reppen en het was ons verboden onze eigen taal te spreken, maar daar maakten we ons niet druk om: we werden tenminste met rust gelaten. Grozny was toen een prachtige stad. Heel groen. In de straten stonden fruitbomen die doorbogen onder de appels en abrikozen. Het was een belangrijk centrum van olieverwerkende industrie. Je had er tientallen fabrieken waar wel 50.000 mensen werkten. Dat is verleden tijd. Er zijn nu alleen nog maar puinhopen.

In 1991 viel de Sovjet-Unie uiteen en hoopten we op een onafhankelijke Tsjetsjeense staat. Nou, dat kwam ons duur te staan. Jeltsin dreigde dat Grozny gebombardeerd zou worden als we niet inbonden. We waren naïef. We konden niet geloven dat we echt zouden worden gebombardeerd. Maar wat we niet konden geloven, werd werkelijkheid.

Het begon om middernacht. Terwijl op de televisie werd gezegd dat er niets aan de hand was, vielen de eerste bommen. Ik zag ze vallen vanuit mijn raam. Ik posteerde me tegen de muur van de woonkamer, zodat ik niet midden onder het puin zou liggen als het dak zou instorten. Ze hadden gezegd dat ze alleen militaire doelen zouden bombarderen, maar ik zag hoe er scholen en ziekenhuizen in vlammen opgingen. En ach, de Tsjechov-bibliotheek! Een gebouw zo mooi als een paleis met een fabelachtig archief. Het ging allemaal in vlammen op.

We zaten maandenlang in het donker zonder water. Het lukte me regenwater op te vangen, maar er waren ook mensen die uit wanhoop het water uit de plassen op straat dronken. We verkochten onze huisraad om te overleven. Je ziet dat ik huil als ik je dit vertel. Het is heel moeilijk terug te gaan in die tijd. Je ziet een lange rij gezichten voor je: familieleden en kennissen die gewond zijn geraakt, gek zijn geworden, verkracht of gedood.

In 1996 trokken de Russen zich terug. Van Grozny was helemaal niets over. De ellende van de oorlog had mijn dochter, die inmiddels een zoontje had gekregen, een ernstige maagzweer bezorgd. Omdat ze in Grozny niet behandeld kon worden, besloten we ons in Moskou te vestigen. Dat was een hel. Leden van de militia drongen midden in de nacht ons huis binnen, telden de tandenborstels en riepen: ,,Waar zijn jullie mannen?'' Ik probeerde uit te leggen dat ik een nieuwe tandenborstel had gekocht en de oude had bewaard, maar ze luisterden niet. Ze bedreigden en ondervroegen zelfs mijn kleinzoon, die ontzettend bang was. 's Nachts kregen we de militia op bezoek en overdag waren er de buren die ons uitscholden voor bandieten. Hun dochtertje mocht niet met mijn kleinzoon spelen. Ze scholden het arme kind uit voor `zwarte'. Hij leed er vreselijk onder. Hij wist op een bepaald moment niet meer welke taal hij met ons moest spreken want we hadden hem verboden in het openbaar Tsjetsjeens te praten. Als je Tsjetsjeens spreekt, loop je het risico dat de Russische politie je mee naar het bureau neemt.

Na drie maanden keerden we terug in Grozny, waar Poetin in 1999 een tweede militaire operatie lanceerde. Overal om ons heen hadden verdwijningen plaats. Russische soldaten vielen 's nachts bij mensen binnen en namen hen mee. Vrouwen werden verkracht. Mijn dochter liep ernstig gevaar omdat ze als tolk had gewerkt voor de Tsjetsjeense autoriteiten, die de Russen als rebellen beschouwden.

Ik was voortdurend bang en drong er op aan dat ze zou onderduiken. En zo vertrok mijn dochter naar een klein dorp, waar ze minder risico zou lopen. Ik zou voor haar zoontje zorgen. En toen gebeurde er dit. Op een dag ging ik met de jongen bij een familielid op bezoek en omdat het te laat werd om voor de avondklok thuis te zijn, bleven we slapen. Toen we de volgende ochtend terug kwamen, stonden de buren ons al op te wachten. Ze zeiden: ,,Ga je huis niet in. Er zijn gisteren soldaten binnen geweest en we hebben schoten gehoord.'' Ik liet mijn kleinzoon bij de buren, ging toch naar binnen en kreeg de schrik van mijn leven. Te midden van lege drankflessen lagen twee dode soldaten. Ik neem aan dat de soldaten voor mijn dochter waren gekomen en het op een zuipen hadden gezet toen bleek dat er niemand thuis was. Er moet een dronkenmansruzie zijn ontstaan die uit de hand is gelopen. Maar ik had op dat moment geen tijd om na te denken over wat daar in godsnaam was gebeurd. Ik wist alleen dat die dubbele moord mij in de schoenen zou worden geschoven en dat ik geen schijn van kans zou hebben als de Russen er achter zouden komen dat ik ook nog eens een dochter had die werd gezocht. Ik pakte mijn papieren en rende de deur uit.

Samen met mijn kleinzoon, die toen een jaar of vier was, vluchtte ik naar familie in Azerbajdzjan. Maar daar bleek dat we het risico liepen uitgeleverd te worden. Dus hielp mijn familie ons te vluchten naar vrienden in het Arabische emiraat Dubai, waar een grote Tsjetsjeense gemeenschap is. Mijn kleinzoon was ondertussen zo getraumatiseerd geraakt dat hij zich in Dubai achter een boom verschool toen hij een politiewagen zag. Die verbouwereerde agent vroeg zich verwonderd af wat er met dat kind aan de hand was.

In Dubai kreeg ik geen asiel. Ik moest elke maand de grens over om een nieuw stempel in mijn paspoort te halen, wat me honderden dollars kostte. Gelukkig had ik nog spaargeld en kon ik mijn sieraden verkopen. Maar na zes maanden verliep mijn paspoort en was ik gedwongen te vertrekken. Vrienden in Petersburg nodigden me uit bij hen te komen wonen. Ik had geen andere keus dan op hun uitnodiging in te gaan.

De reis naar Petersburg duurde lang en in het vliegtuig had ik alle tijd om na te denken. Door mijn hoofd bonsde telkens dezelfde vraag: wat wordt er van Dimitri als ik word opgepakt in Rusland? Ik kon geen risico lopen met een klein kind. Toen ben ik in een impuls uitgestapt tijdens een tussenlanding in Amsterdam. Daar begon mijn asielprocedure.

Met mijn dochter had ik alle contact verloren. We hadden geen telefoons, ik wist niet waar ze was en hoe kon zij weten dat ik in Nederland zat? Ik twijfelde er aan of ik haar ooit weer zou terugzien. Maar zij kwam er via internet achter dat we waarschijnlijk in Nederland zaten en reisde op goed geluk in 2001 naar Amsterdam. Daar konden ze vrij gemakkelijk achterhalen in welk asielzoekerscentrum ik zat. Toen ik haar terugzag, voelde ik mij de gelukkigste mens op aarde. Eindelijk had mijn kleinzoon weer een moeder.

Mijn dochter heeft nu een verblijfsvergunning en sinds kort heeft ze een woning toegewezen gekregen in een dorpje in de provincie. In dit huis bereikte ons het nieuws over de gijzeling in Beslan. We hebben biddend voor de televisie gezeten. Toen ik zag dat de gijzeling eindigde in een bloedbad, heb ik zo hard gehuild dat de buren aanbelden om te vragen wat er aan de hand was. En als ik er over praat, huil ik weer. Ik zal altijd huilen als ik het woord Beslan uitspreek.

Want voor ons, gewone Tsjetsjenen, bestaat er niets heiliger dan het leven van onschuldigen. Onze harten zijn gebroken. Die terroristen hebben niet alleen een aanslag gepleegd op die kinderen maar ook op ons. Ze zijn Poetins beste vrienden. Hij kan nu alle macht naar zich toetrekken en zeggen: ,,Ik heb het toch gezegd, die Tsjetsjenen zijn allemaal bandieten''.

Afgelopen zomer kreeg ik te horen dat ik ben uitgeprocedeerd. De Nederlandse regering vindt dat ik me maar in Rusland moet vestigen. Ze begrijpen niet welke risico's ik daar loop als Tsjetsjeense, zeker na Beslan. Rusland is geen veilige plaats voor ons, absoluut niet. De mensenrechten van de Tsjetsjenen worden er elke dag geschonden. Zojuist kregen we te horen dat een volstrekt onschuldige vriendin van ons daar is opgepakt omdat ze telefoneerde met een familielied in Dubai. Omdat ze met een Arabisch land had gebeld werd ze gearresteerd op verdenking van terrorisme. Ze mocht kiezen: óf een bekentenis afleggen, óf verkracht worden door het hele politiebureau. We hebben geen idee wat er nu van haar zal worden.

De IND kan zeggen wat hij wil, maar ik ga nergens meer naar toe. Ik ben moe van het rennen. Ik weiger me op mijn leeftijd nog langer te laten vernederen. Ik weet hoe de zaken ervoor staan in Rusland en ik geef er de voorkeur aan om hier dood te gaan. Ik heb niets meer te verliezen. Mijn leven is begonnen in ballingschap en zal eindigen in ballingschap. Ik ga nergens meer naar toe.'

De namen van deze vrouw, haar dochter en kleinzoon zijn bij de redactie bekend maar zijn op hun nadrukkelijke verzoek uit het stuk gehouden.