Grondwet beschermt beter tegen besnijdenis

Dr. T. de Jong wil het grondrecht van godsdienstvrijheid laten prevaleren boven een strenge uitleg van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en het daaruit volgende verbod op besnijden (NRC Handelsblad, 12 oktober). Er is echter een ander, mijns inziens belangrijker en daarom navenant beter beschermd grondrecht in het geding.

Artikel 11 van onze Grondwet stelt onomwonden: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Het Wetboek van Strafrecht geeft daaraan nadere invulling en onder meer Titel XX Mishandeling strekt tot bescherming van die onaantastbaarheid.

Besnijden is een onherstelbare fysieke ingreep zonder medische noodzaak die kan wachten tot het kind er zelf over kan beslissen, stelde het Gerechtshof in Den Bosch onlangs vast. Die onherstelbare fysieke ingreep is een amputatie van een volkomen gezond, functioneel en levend lichaamsdeel. Er is geen enkele reden waarom dat géén mishandeling zou zijn of waarom dat niet onder de huidige strafwetgeving al strafbaar zou zijn. Het besnijden van meisjes wel strafbaar te stellen en dat van jongens niet is niet alleen discriminatie naar sekse, maar ook onhandig. De `geringere' verminking van jongens verbieden legitimeert het verbod op de `ergere' verminking van meisjes des temeer; het gedogen van jongensbesnijdenis zwakt het verbod op meisjesbesnijdenis daarentegen af.