Greenspan sust effect van hoge olieprijs

Alan Greenspan, de voorzitter van het stelsel van Amerikaanse centrale banken, vindt de hoge olieprijs nog niet zorgwekkend. Het effect op de economie noemde Greenspan gisteren niettemin ,,wel significant''.

Zijn tamelijk optimistische uitspraken – de meest uitgebreide over het onderwerp tot dusver – werden gisteren vergezeld van iets hogere beurskoersen, en een nieuwe recordprijs op de energie-derivatenmarkt in New York. Een vat olie kost nu 54,88 dollar, dat is 12 dollarcent meer dan een dag ervoor. De stijging houdt verband met de voortdurende geopolitieke onrust en onzekerheid in het Midden Oosten. De afgelopen twaalf maanden is de olieprijs met tachtig procent gestegen.

Volgens Greenspan heeft het Amerikaanse Bruto Binnenlands Produkt driekwart procent groei moeten inleveren door de hoge olieprijzen. Dat is veel minder dan in de jaren zeventig, toen de prijsstijging in de honderden procenten liep en de oliecrises de economie in diverse recessies duwde. In februari 1981 bereikte de olieprijs zijn hoogste stand ooit. De huidige prijs van 55 dollar per vat ligt daar nog veertig procent onder, gecorrigeerd naar inflatie.

Maar ,,het risico van serieuzere negatieve gevolgen neemt toe als olieprijzen substantieel blijven stijgen'', zei Greenspan. Niet alleen voor consumenten, die het als ,,een soort belasting'' ervaren, maar ook voor energie-intensieve industrieën, die hierdoor ,,een deel van hun concurrentievoordeel zouden kunnen verliezen '' en zelfs hun bestaansrecht.

Greenspan wees erop dat door de hoge Amerikaanse consumptie van benzine nog altijd 11 procent van de wereldwijde olieproductie naar de Verenigde Staten gaat, maar hij zag geen reden om Amerikaanse automobilisten tot zuinigheid te manen. De gemiddelde bezineprijs bedraagt nu 2,04 dollar per gallon, wat omgerekend neerkomt op 42 eurocent per liter.

Voorspellingen over astronomische olieprijzen zijn vaak onjuist geweest, meent Greenspan, en dat zijn ze nu weer. Van een olietekort is nog lang geen sprake.