Geelgors

Kwelders, zover het oog reikt. Hier en daar bossen wuivende zeeasters, ruig en uitgebloeid, waaruit telkens weer kleine zangvogels opvliegen die metaalachtig roepen, tsi-tsi-tsi! Het zijn troepjes geelgorzen (Emberiza citrinella) die foerageren in de voedselrijke biotoop van het uitgestrekte Noorderleeg, ook wel Noard-Fryslân Bûtendyks genoemd. Ze tornen met felle vleugelslag op tegen de wind, duiken omlaag, lijken met hun zeventien centimeter nietig in de weidsheid bij Holwerd tegen de Waddenzee aan. Duidelijk opgloeiend is de citroengele borst. Verder vallen de kastanjebruine bovenzijde op en de lange, gespreide staart met witte zoom. De geelgors is in Nederland zowel een broedvogel als een doortrekker. In het najaar zwerft hij rond in slordig geformeerde groepjes. Het is een zaadeter met korte, dikke snavel, ook nuttigt hij insecten en kleine bodemdieren. Het vrouwtje bouwt het nest op de grond, in struiken of houtwallen met kruidenrijke begroeiing. Soms komt het tot drie broedsels per seizoen.

(Zien is kennen!)

freriks@nrc.nl