De Schotse heren van de thee. In India

In de Indiase bergenclave Munnar ruikt alles Brits, schrijft Lex Veldhoen: de theeplantage, de biljartkamers, de oude Enfield van mr. Iype. Maar de Schotten zelf zijn verdwenen.

De meest spectaculaire manier om bij Hill station Munnar, een bergenclave op circa achttienhonderd meter hoogte in de Zuid-Indiase deelstaat Kerala, te komen, is met de gebutste overheidsbus uit Coimbatur. Dat is een bonkig monster met harde stoelen en een schorre toeter met rubberen knijpbal. De reis duurt zes uur en kost, omgerekend, een euro.

Munnar is een langgerekt bergoord met één drukke hoofdstraat. Sinds tien jaar is de plaats in opkomst als toeristenoord. Theeplantages bedekken de berghellingen; Munnar is daardoor een van de groenste plekken in India.

Bij de bazaar leidt de 73-jarige, tengere mister Joseph Iype zijn Toerist Information Service. Na enig wachten komt hij – motorbril, kleppet, zijn vrouw in sari achterop – aanrijden op een oude Enfield motor. Mr. Iype is een begrip; hij wordt besproken in alle reisgidsen. Zijn twee cottages met gastenkamers (600 roepies per nacht, ruim 10 euro) liggen tussen theeplantages; geel en hemelsblauw, in oude theeplantersstijl, met kleine ramen en groen geschilderde daken van golfplaat. Ze liggen aan een uitbundige bloementuin met uitzicht op de hoogste berg van Zuid-India, de Anamundi, 2695 meter hoog.

Op de deuren van de kamers hangt een briefje met de waarschuwing vóór het donker terug te keren: ,,Once a wild elephant from the forests on the hills appeared on the road leading to the cottage.'' Dat was vijf maanden geleden, verklaart Mr. Iype. ,,Toen verwondde hij een nietsvermoedende toerist zwaar.'' In een van de kamers hangt een luipaardvel aan de muur, inclusief kop. Mr. Iype schoot het beest enkele jaren eerder, nadat het vijf koeien had gedood. ,,Ik was vroeger een goede jager.''

WOLKENTAPIJT

Mr. Iype weet alle bustijden, alle wetenswaardigheden en organiseert trips. In de tuin staat thee klaar, de hele dag. De meeste rugzakkers en well-to-do Indiase pasgetrouwden komen hier voor de natuur, de wildparken, de theeplantages en Top Station, waar je 's morgens zo ver het oog reikt neerkijkt op een gladgestreken, sereen wit wolkentapijt, met slechts een enkele kale bergtop die erboven uitsteekt.

Vlakbij Mr. Iype's cottage plukken vrouwen thee. Ze dragen hoofddoekjes tegen de scherpe zon, rubberen schorten tegen de prikkende, afgeknipte loten en een mand op de rug. Op blote voeten lopen ze op smalle, steile paadjes. Met een schaar, die vastzit aan een vergaarbak, knippen ze de lichtgroene toplaag weg.

Langs de hoofdweg, bij een theefabriek, rijden kleine gele tractoren met aanhangwagens vol balen vers theeblad af en aan. De fabriek is van het staatsbedrijf Tata, dat hier vrijwel alle theeplantages bezit. In de zwaar geurende fabriekshal wordt het afval machinaal verwijderd, de bladeren fijngemaakt, gefermenteerd en vervolgens gedroogd in een gigantische trommel met reusachtige ventilatoren. Daarna wordt de thee in schuddende sorteerbakken op fijnheid geselecteerd; van gekruld blad tot het fijne poeder dat in India veelal wordt gebruikt.

CRICKETVELD

De High Range Club bevindt zich aan de overkant van de rivier, verscholen achter bomen, met een 9-hole golfcourse, een cricketveld, tennisbanen en een helikopterlandingsplaats. Schotse planters bouwden de club in 1910, nadat de Maharadja van Travancore de grond had geschonken. Er zijn twee zaaltjes met biljarttafels (op de deuren met ovalen kijkraampjes staat in witte letters `Wait for the stroke', opdat spelers niet opgeschrikt worden).

In de lounge zitten twee bleke Engelse mannen in fletse shirts. Ze drinken bier. In de Men Only-bar, met donkerbruin houten plafond en lambrisering, is de tijd stil blijven staan. De bediende draagt een witte broek, rood jasje, witrode tulband en glimmend zwarte schoenen. Naast een twintigtal jachttrofeeën, zoals een tijgerkop (mottig kaal, opengesperde muil), hangen in deze immer schemerige ruimte foto's van Engelse oorlogsschepen. Op één lijst is in een koperen plaatje gegraveerd: ,,Presented to the High Range Club by the Rugger team of H.M.S. Enterprise, may 1933.''

Aan een andere muur hangen tropenhelmen, bekleed met bruin verweerd katoen. Met witte verf zijn de initialen aangebracht van planters die meer dan dertig jaar lid waren: `R.B.C. 1918-1951'. Eenmaal weggezonken in een bruin leren clubfauteuil, komt de in Engeland geboren secretary me verwelkomen. Allan Oakley is een innemende, kalende zestiger met een schril hoog lachje, donkerrood overhemd en lichtbruin geruit tweedjasje.

Hij begroet de Nederlandse Corona met vreugde: ,,I love the smell of your excellent cigar, it reminds me of the old days.'' Alleen planters kunnen lid worden, vertelt Oakley. En vroeger hadden ze een strengere kledingscode. ,,Nu dragen de heren alleen op zaterdagavond verplicht een pak met stropdas.'' De meeste Schotse planters verlieten het land rond 1973, daartoe gedwongen door de overheid. Momenteel zijn 130 Indiase managers van Tata-plantages lid.

Een man in overhemd en geblokte pullover komt erbij zitten en overhandigt zijn visitekaartje: dr. Simon John, M.B.B.S, D.O.M.S, ophthalmic surgeon. Hij woont in Cochin, bezit hier een kardemomplantage en vertelt over de club. Die is volgens hem opgericht om planters een eigen plek te geven. ,,Maar nu hebben ze het te druk om te komen. Daarom worden buitenlandse gasten toegelaten.''

We dineren samen in de eetzaal. Het eten is Indiaas, behalve het toetje: een zompige cake waarover warme gele custard met gekonfijte gember is uitgegoten. Door de openslaande deuren zien we dat er meer mensen werken in de keuken dan er gasten zijn.

Op het toilet hangt een houten bord met tekst. De wc-bezoeker kan aan de hand van zijn toiletgedrag bepalen tot welke categorie hij behoort: The Gentleman doet alles volgens het boekje, The Disgruntle Type vertelt een grap terwijl hij plast en the unlucky type, onderaan de lijst, ,,tries to fart and shits himself.''