De olie wordt duur betaald maar er is genoeg

Er is olie zat, als de prijs maar hoog genoeg is, meent het Amerikaanse tweewekelijkse zakenblad Forbes. Want 20 dollar per vat is veel te weinig voor exploratie op grote schaal.Immers, de kosten daarvan zijn 100 procent hoger dan tien jaar geleden. Maar de 36 dollar per vat die op dit moment normaal is op de termijnmarkt, is precies goed voor serieuze exploratie van onontgonnen gebieden, denkt het blad.

Het wordt hoog tijd dat de maatschappijen op zoek gaan naar nieuwe voorraden, ook al is het tegen een veel hogere prijs per vat. Want op wereldschaal zal de vraag naar energie de komende twintig jaar 40 procent groeien. ,,Niemand'', schrijft het blad, ,,gaat er harder tegenaan dan ChevronTexaco.'' De onderneming staat onder enorme druk om nu eens resultaten te laten zien omdat het bedrijf achter blijft bij concurrenten als ExxonMobil en BP, hoewel het toch avontuurlijk genoeg is met zijn diepzeeboringen. Die zijn erg lastig en duur, maar lonen de moeite, schrijft het blad, omdat 65 procent van alle nieuwe reserves de laatste twee jaar gevonden werd in diepzee. Nee hoor, concludeert het blad, ,,het is absurd om te beweren dat de energie in de wereld opraakt. Alleen de goedkope energie raakt op. Er is genoeg dure.''

,,Niets wijst erop dat olie in de nabije toekomst weer goedkoper wordt'', zo doet het Duitse weekblad Die Zeit een duit in het zakje. Het blad hekelt het initiatief van bondskanselier Schröder om het speculeren op de olieprijs tegen te gaan door meer en betere cijfers over de marktbewegingen te publiceren. Want, bedenkt het blad, ,,het is hoogst twijfelachtig of betere statistiek het speculeren vermindert''. Wolfgang Kraus, die in olie en energie handelt namens de Bayerische Landesbank, maakt korte metten met Schröders idee: ,,humbug''.

Zelfs Schröders eigen adviseurs, schrijft het blad, weten dat het probleem niet in de speculatie zit, maar in het gebrek aan nieuwe olievondsten, terwijl de vraag groeit. Dat betekent volgens investeringsbank Goldman Sachs dat de olieprijs ook op lange termijn veel hoger zal blijven dan de 20 dollar die we gewend waren. Het is niet voor niks dat de prijs op de termijnmarkt is opgelopen tot 36 dollar. Het verschil met een topprijs van 54 dollar per vat is volgens Goldman Sachs voor een klein deel te wijten aan speculatie en bestaat grotendeels uit een soort premie op prompte levering. Politici die speculanten bestrijden, concludeert het blad, ,,begeven zich op gevaarlijk terrein. Gevaarlijk, omdat ze daarmee iets beloven dat ze niet kunnen waar maken, namelijk dalende benzineprijzen.''

De prijs van ruwe olie zal in de nabije toekomst blijven schommelen tussen 38 en 42 dollar per vat, schrijft het Amerikaanse maandblad Futures, dat gespecialiseerd is in de termijnhandel. De handelaren erkennen volgens het blad zelf ook wel dat ze ,,zichzelf een beetje voorbijgelopen zijn met een prijs van 50 dollar per vat, maar verder zijn de reacties van de handel niet onredelijk''. Reacties op nieuws over sabotage aan pijplijnen kun je nog overtrokken noemen, maar ,,rapporten over fundamentele cijfers, bijvoorbeeld over dalende voorraden, resulteren in voorspelbare reacties''. Daarnaast, zo erkent het blad, werkte ook speculatie als olie op het vuur.

En dan nu de gouden tip voor spelers en speculanten: voor de termijnhandel is het volgens het blad verstandig om te letten op de prijsschommelingen van andere grondstoffen, zoals ijzer en steenkool. Die ,,ondersteunen een prijs voor ruwe olie van 41,50 dollar'', zo citeert het blad Bill O'Grady, hoofd onderzoek bij een grote handelaar als A.G. Edwards & Sons.

,,Mensen die in New York en Londen handelen in olieopties, lezen tien artikelen die zeggen dat het Saoedische regime op instorten staat en gaan dan meer bieden'', schampert Robert Mabro in het Amerikaanse weekblad The New Yorker. Mabro is topmanager van het Oxford Institute of Energy Studies en een van de zegslieden van John Cassidy, de vaste medewerker van het blad voor economie. Er is, zo luidt de essentie van zijn verhaal, sinds 1973 niets veranderd. Wijlen Nixon zei toen al dat hij een Amerika wilde ,,dat vertrouwt op zijn eigen vindingrijkheid, niet op de Saoedische koninklijke familie''. Presidentskandidaat John Kerry wil ,,investeren in nieuwe technologieën en alternatieve brandstoffen'' en president Bush wil zijn land ,,minder afhankelijk maken van buitenlandse energiebronnen''. Maar dat is, meent Cassidy, ,,wel heel ver verwijderd van de realiteit bestaande uit krachtige commerciële belangen, het oplossen van technologische problemen en het Amerikaanse publiek er van overtuigen dat goedkope olie geen geboorterecht is''.

De auteur herinnert er ook aan dat het militaire ingrijpen van Bush in Irak een rechtstreeks gevolg is van de doctrine van de voormalige Democratische president Carter die zegt dat ,,elke poging om zeggenschap te krijgen over de Perzische Golf gezien zal worden als een aanval op vitale Amerikaanse belangen''.

De Amerikanen, zo concludeert de auteur, prefereren een lage prijs aan de pomp, terwijl ze ruim 2 cent per liter benzine aan belasting betalen voor de Amerikaanse militaire activiteiten in het Midden-Oosten.