De Googlificatie van het onderwijs leidt tot Googlificatie van de kennis

Het belangrijkste educatieve werk van Jean Jacques Rousseau, de roman Emile, is een verdediging van kindgericht onderwijs met de nadruk op doen en ontdekken in plaats van op studeren en onderwezen worden. Rousseau achtte de studie van de geschiedenis en van het culturele verleden ondergeschikt aan het beantwoorden van de behoeften van het kind: ontplooiing moet niet van buitenaf maar van binnenuit komen. Men hoeft niet lang om zich heen te kijken om te zien dat deze ideeën nog springlevend zijn: we zien ze in allerlei vormen, variërend van vrije scholen, Montessorionderwijs en studiehuis tot het snel in populariteit toenemende systeem waar `je kan leren wat jij belangrijk vindt'.

Hoewel de kritiek op de heersende onderwijspolitiek de laatste tijd toeneemt, lijken de uitgangspunten van Rousseau onaantastbaar te zijn: men moet uitgaan van het kind, de rol van de leraar is die van begeleider, vaardigheden zijn belangrijker dan kennis.

Voor vakken als geschiedenis betekent dit dat er meer nadruk ligt op thema's die `aansluiten bij de belevingswereld van de scholieren' en waar zij `iets mee kunnen' dan voor grote lijnen en feiten. Het resultaat hebben we onlangs weer eens kunnen zien toen bleek dat slechts een minderheid van de jongere generatie nog weet wat de Gouden Eeuw was. Ter verdediging voert men aan dat dit niet zo erg is, omdat jongeren op internet met zoekmachines als Google kunnen zoeken wie Johan de Witt en zijn kornuiten waren.

Google is een mooie metafoor voor het huidige onderwijs. Met alle nadruk op vaardigheden kunnen we spreken van een Googlificatie van het onderwijs en, als gevolg daarvan, een Googlificatie van de kennis. Twee voorbeelden. In een column van enkele weken geleden schrijft Ronald Plasterk over de door hem geminachte George Steiner dat Google liefst 107 hits uitbraakt wanneer deze als trefwoorden `George Steiner pompous ass' aangereikt krijgt. Nu is dat een aardigheidje van een columnist die ook wel zal weten dat Steiner een wereldberoemd cultuurfilosoof is die al tientallen jaren boeken schrijft die algemeen als belangwekkend worden gezien, maar het kan geen kwaad er op te wijzen dat `George Steiner brilliant philosopher' ruim 800 resultaten oplevert en `Johan Cruyff bad football player' meer dan duizend, terwijl 'Plasterk is ook arrogant' nog altijd goed is voor enkele tientallen hits. Met Google kan men immers alles bewijzen.

Een tweede voorbeeld. In het boek After Progress van de cultuurfilosoof O'Hear wordt onder meer gesproken over de betekenis van Isaac Newton en Francis Bacon. Een Nederlandse recensent van het boek wist kennelijk wel wie Newton was, maar had nog nooit van Francis Bacon gehoord. Geen probleem, daar hebben we Google voor en inderdaad: die levert ons duizenden hits waaruit blijkt dat het gaat om een schilder die leefde van 1909 tot 1992 en bekend is om zijn indringende portretten van getormenteerde koppen en lichamen. De recensent begreep niet direct wat deze schilder met Newton te maken heeft, maar maakte dat goed door een mooie illustratie van een schilderij van Bacon op te laten nemen en vagelijk op te merken dat deze `afrekende met oude doctrines'. Uiteraard ging het O'Hear om een heel andere Francis Bacon, die leefde van 1561 tot 1626 en wiens rol als een van de grondleggers van het empirisme duidelijk verwant was aan het werk van Newton.

Dergelijke voorbeelden laten zien wat het gevolg is wanneer vaardigheden belangrijker worden dan kennis. Google mag dan een aardig instrument zijn om snel allerlei informatie op te sporen, men heeft er pas iets aan wanneer men al over een zekere basiskennis beschikt, een fundament zonder hetwelk al die hits niet meer zijn dan een grote stapel losse bakstenen.

Wie al iets weet kan zijn kennis met Google uitbouwen, maar wie niets weet kan slechts wat stenen op elkaar stapelen: het ziet er even aardig uit, maar het stort bij de eerste de beste windvlaag in. Googlificatie is het verschijnsel dat men zonder kennis is, maar in een paar seconden duizend snippers informatie op het scherm kan toveren om die vervolgens op een manier die goed uitkomt aan elkaar te lijmen. Het is niets weten, maar alles kunnen bewijzen. Websurfen, zoeken en vinden is leuk om te doen, maar de resultaten bestaan op zijn best uit wat Huizinga de onverwerkte kennis van de halfbeschaafde noemde.

Net zoals de boekdrukkunst en de openbare bibliotheek maakt internet de rol van de leraar niet overbodig, maar juist nog belangrijker: want hoe meer informatie er is en hoe toegankelijker die informatie wordt, des te belangrijker wordt het selectieproces en de basiskennis die daarvoor nodig zijn.

Natuurlijk pleit niemand voor een terugkeer naar het onderwijs van vroeger. Een van de grote leraren uit het verleden, Aristoteles, leerde dat de verstandigste weg altijd een midden vormt tussen twee extremen. Goed onderwijs bestaat dan ook uit een combinatie van enerzijds een grondige kennisoverdracht door een leerkracht met autoriteit op zijn vakgebied en anderzijds het activeren van de leerling, waarbij internet een rol kunnen spelen. Graag citeer ik een uitspraak uit de Talmoed: ,,Het gaat er niet om wat een leerling met de kennis doet, maar om wat de kennis met de leerling doet.'

Informaticus, historicus en jurist.

Rectificatie / Gerectificeerd

Googlificatie

De auteur van De Googlificatie van het onderwijs leidt tot Googlificatie van de kennis (16 oktober, pagina 21), informaticus en historicus Jeroen Vanheste, is ten onrechte ook jurist genoemd. Het snel in populariteit toenemende systeem waar `je kan leren wat jij belangrijk vindt', dat in het artikel wordt genoemd, heet Iederwijs.