Zelfs mallotige Bush blijft prima kerel

De televisie zal Kerry nooit sympathiek maken en Bush nooit onsympathiek. Dat is de enige troost die de presidentsploeg uit de recente verkiezingsdebatten kan putten, meent David Ignatius.

De presidentiële debatten waren het toppunt van reality-tv. Ze hebben een voorgekookte campagne bevrijd van spin-experts en modder-adverteerders en haar bij het volk in de woonkamer gebracht, waar de mensen voor zichzelf konden beslissen.

Nadat het publiek drie avonden met John Kerry en George Bush heeft doorgebracht, zal het zich moeilijker laten vertellen wat het van deze mensen moet denken. We hebben ze onder druk vragen zien beantwoorden; we hebben ze zien grijnzen, fronsen en gnuiven, en heel af en toe zien lachen; we hebben ze horen praten over hun gezin en hun godsdienstige overtuiging. We kennen ze nu op de merkwaardig vertrouwelijke manier waartoe de televisie ons in staat stelt – zodat we hun kleinste gebaren en stembuigingen na kunnen doen.

Natuurlijk, de kandidaten waren getraind en overhoord: Kerry leek voor alles een plan te hebben en Bush bleef maar zeggen dat het een zware baan was en dat hij bereid was ons te leiden. Maar uiteindelijk was het heerlijk ongeregisseerd – een politieke versie van de tv-programma's waarin het erom gaat wie als laatste overblijft.

Wat Kerry in deze debatten heeft gewonnen, was de mogelijkheid zichzelf in zijn eigen woorden te beschrijven. Een maand geleden konden de aanhangers van Bush Kerry naar hartelust de grond in boren. Ze konden beweren dat hij een lafaard was die met opzet gewond was geraakt om een medaille te krijgen. Vervolgens wogen de media de voors en tegens alsof het een serieus thema in de campagne was. Dat is veel moeilijker geworden nu we Kerry zelf hebben gezien.

Wat Bush heeft verloren, is de mogelijkheid om het beeld te bepalen. Hij kon nog eens herhalen dat Kerry een flip-flopper en een gevaarlijke linkse rakker is, maar de mensen die het debat hebben bekeken konden deze beschuldigingen afzetten tegen het gevoel dat de man hun nu zelf geeft. Bush kon de Democraat verwijten dat hij Amerika, via een soort `mondiaal examen', onderwierp aan een Frans veto, maar dat kon Kerry meteen weerspreken. De instrumenten van de moderne politiek zijn zo angstaanjagend fijn afgesteld dat ze de beeldvorming beheersen. Maar dat vermogen tot manipulatie werd in de debatten geneutraliseerd, althans voor een duur van 270 minuten.

Tot de debatten zat de campagne van Kerry op dood spoor. De kracht van het eerste treffen was deels dat Kerry zo'n underdog leek, maar toen Bush chagrijnig werd van zijn vlotte antwoorden, leek de hele chemie van de race te veranderen. Ook in de twee debatten daarna bleef Kerry dat spitse jongetje in een quiz. Hij leek op alles een antwoord te hebben – een plan voor Irak, een plan voor de gezondheidszorg, een banenplan.

Bush reageerde telkens anders op de onstuitbare plannenmaker: in het eerste debat leek hij perplex, in het tweede woedend en in het derde verward. Zoals alom is opgemerkt was Kerry de man met het gewicht dat mensen vaak als `presidentieel' omschrijven.

De televisie zal Kerry nooit sympathiek maken. En ze zal Bush nooit onsympathiek maken. Dat is de enige troost die de presidentsploeg uit deze drie debatten kan putten. Zelfs op zijn mallotigst (zoals toen hij Kerry na diens sneer over zijn aandelenbezit in een houtfirma vroeg of hij soms hout nodig had) komt Bush als een prima kerel over. Hoe een elitair studentje van Andover, Yale en Harvard dat voor elkaar krijgt is nog altijd een raadsel, maar dat is wel de gave die voor de politicus Bush bepalend is. Zelfs als hij niet uit zijn woorden kan komen weet hij daar nog zijn voordeel mee te doen.

Bush was echt fascinerend woensdagavond toen hij het over bidden had. We kregen het gevoel dat we hem in zijn ziel keken – in het godsdienstige geloof waardoor hij zo'n vastbesloten leider is geworden. Het lijdt geen twijfel meer of deze man ziet zijn presidentschap als een werktuig Gods. Ook Kerry schetste bewogen zijn geloof – een geloof in een sociaal evangelie van `goede werken', dat weliswaar veel minder persoonlijk is dan dat van Bush, maar toch nog krachtig genoeg.

Door deze debatten is Kerry een serieuze kandidaat geworden. Of ze hem ook aan de overwinning zullen helpen, hangt ervan wat de mensen bijblijft van wat ze gezien en gehoord hebben – en van de mate waarin beide kampen hun aanhang naar de stembus weten te krijgen. Er zal druk worden gemanipuleerd met dat wat we op de televisie hebben gezien, maar dat zal nu moeilijker te verkopen zijn. We weten nu zoveel meer over deze mannen.

Geen wonder dat zittende presidenten niet van debatten houden. Ze hebben alles te verliezen en heel weinig te winnen. Door toe te stemmen in een debat met zijn rivaal, verlaat een president de unieke machtspositie waarin hij de gloed van het presidentschap uitstraalt en beweegt hij zich op gelijk niveau.

Hij geeft zijn beste wapen op en laat zijn tegenstander diens grootste nadeel overwinnen. En dat voordat ze nog maar een woord hebben gezegd. Mocht Bush in november verliezen, dan ben ik benieuwd of een zittende president zich ooit nog zal onderwerpen aan eenzelfde `televisierechtbank', in drie reality-shows van 90 minuten.

David Ignatius is columnist. © Washington Post Writers Group